Schoolplaat "63. Stamwoning der Papoea's. Noord Nieuw-Guinea"
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "63. Stamwoning der Papoea's. Noord Nieuw-Guinea”. Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” Van over het water zicht op het rivierengebied van de Papoea's en hun paalwoningen in het water. Op de voorgrond een ronde kraal afgezet me stokken in het water. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Prof. Dr. A. W. Nieuwenhuis: "Met plaat 63 bevinden wij ons in een der laagst ontwikkelde samenlevingen op aarde, onder de Papoea's der noordkust van Nieuw-Guinea, waarop ook plaat 13 betrekking heeft. De hier afgebeelde stamwoningen, op palen in het Sentanimeer gebouwd, geven een welsprekende uitdrukking aan de onder deze stammen heerschende toestanden. Zooals reeds op blz. 51 in het licht gesteld werd, gebruiken deze volken hunne huizen in 't bijzonder ook als bescherming tegen hunne naburen. Zulk een Papoeastam trekt daarom bij elkaar in een huis, of als de plaatselijke omstandigheden dit vereischen in meerdere, die zij als echte paaldorpen in het water aan den hoek van een eilandje bouwen, zooals het geboomte achter de woning aanduidt. Bijzonder opmerkenswaard is het, dat deze overigens zoo laag ontwikkelde menschen met zooveel bekwaamheid deze zeer groote, tegen water en wind bestande huizen hebben leeren oprichten; ook hier is wel de nood een goede leermeester geweest. Kenschetsend voor de toestanden daar is het, dat rechts op de plaat in de verte zulk een tweede vestiging ligt, die de eerste als gewoonlijk vijandig is. Door onderling wantrouwen, door de moeilijkheid om altijd voldoende middelen van bestaan te vinden en door gebrek aan een autoriteit in hunne patriarchale stamverhoudingen om twisten te voorkomen en te beslechten, heerscht tusschen die gescheiden levende menschen-groepen een eeuwigdurende veete. Een sterke belemmering in onderling verkeer, bij den landbouw, jacht en vischvangst is daarvan het gevolg. Welk een krachtsverspilIing er gelegen is in den daardoor vereischten bouw dezer grootsche paalwoningen, behoeft geen betoog. Een huis als dit rust op een waar bosch van palen, die in regelmatige rijen naast elkaar in den meerbodem staan. De vrouwen graven daarvoor al duikende de kuilen en zetten daarin de palen met aarde en steenen vast. De langste palen vormen de middelste rij en dragen in een vork van boven de nokbalken; twee rijen kortere palen aan weerszijden, in de lengte en in de breedte door horizontale verbindingribben en kapbalken verbonden, helpen het zware dak torsen. Op deze en op de nok rusten spantribben, die dunne gordingen voor het bevestigen der dakbedekking dragen. Rijen korte palen met de daarbij behoorende vloerbalken steunen den vloer, waarvoor men planken, dunne stammetjes, ook wel bamboe of de middennerf der sagopalmbladen gebruikt. Voor bindsel tusschen al deze samenstellende balken wordt meestal rotan of ander plantaardig materiaal in de bosschen verzameld. Deze leveren ook de verschillende houtsoorten voor palen en balken. Natuurlijkerwijze moeten vooral de palen van zeer weerstandbiedend hout gekapt worden. Plaat 13 geeft een goed beeld van het dak van sagopalmbladen; daarvoor worden hunne veeren van beide zijden tegen elkaar gebogen, de zoo verkregen matjes dakpansgewijze over elkaar gelegd en met de houtachtige middennerf horizontaal op de gordingen vastgebonden. In de onder de hooge daken aanwezige, lange ruimte bouwt men met palmbladenwanden afzonderlijke vertrekken, vooral als nachtverblijf voor de gezinnen. De overblijvende vrije ruimte dient voor gemeenschappelijk verkeer over dag en als slaapplaats voor de volwassen, ongetrouwde mannen. Ook plaatst men daar veelal de haarden met de kookbenoodigdheden voor de vrouwen. Op het gebied van den huizenbouw bezitten de onderscheidene stammen velerlei gewoonten; onder verwante stammen komen deze meer overeen, bij verder van elkaar verwijderde zijn zij dikwijls geheel verschillend. Bij alle vormen en indeelingen valt echter de afwezigheid van schoorsteenen of openingen in plaats daarvan op; de rook moet zijn weg door het vrij losse dak zoeken, maar doordringt daarbij al het hout en de bladeren, ze op die wijze tegen insecten en vocht beschermende. Tusschen de lange huizen op deze plaat zijn eenige kleinere met pyramidevormige daken geplaatst; zij doen dienst als wachthuizen, waarin jonge mannen slapen en de wacht houden. Overeenkomstige vormen doen bij de kuststammen dienst als tempels. Gewichtig zoowel voor de visscherij als om zich naar den vasten wal te begeven, zijn de booten, waarvan er twee bij het huis liggen. Men weet ze als op plaat 13 door het uithollen van een boomstam te vervaardigen. Zij behouden daarbij evenwel den ronden vorm van den stam, in tegenstelling met hetgeen de meer westwaarts wonende stammen op de Groote Soendaeilanden gewoon zijn. Deze verstaan, door hoog vlammende vuren tegen de buitenzijde van de afgewerkte boot te doen branden, de wanden uit te buigen; het vaartuig krijgt daardoor grootere breedte, meer laadruimte en ligt veel vaster. Daar men booten van 20 M. en langer aantreft, laat zich denken welke reusachtige afmetingen de daarvoor gebruikte boomstammen moeten gehad hebben."