Schoolplaat 129. De Sultan van Koetei en zijne Rijkssieraden, Borneo.
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "129. De Sultan van Koetei en zijne Rijkssieraden, Borneo." Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” De Sultan van Koetei in koningskleding geflankeerd door twee vrouwen met een kris poseert voor zijn in kring zittende vrouwen. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Prof. dr. A.W. Nieuwenhuis: "Plaat 129. Op dezelfde plaats, waar de maskerdans van plaat 118 werd opgenomen, liet ook de sultan van Koetei zich in zijn grootsten luister photographeeren, d.w.z. in vol ornaat en omgeven van alle teekenen zijner vorstelijke waardigheid en als bestuurder van zijn rijk. In zoover zijn de bijzonderheden van dit tooneel kenmerkend voor hetgeen men aan alle inlandsche hoven behoudens plaatselijke afwijkingen terugvindt. De persoon van dezen ouden, energieken sultan treedt hierbij reeds dadelijk op den voorgrond; zijn in Europeesch snit gehouden galauniform past noch geheel bij zijn inlandsch uiterlijk, noch bij de gouden kroon, die in hoofdvorm met die uit den Hindoetijd veel overeenkomt. Hoe eigenaardig onhandig zulk een pas tot rijkdom gekomen inlandsch potentaat zijn kan, daarop wijst de als koningsmantel om zijne schouders hangende balmantel van witte zijde, dons en koorden met kwasten, die beter zouden staan om de blanke schouders van een gedecolleteerde schoonheid dan om de zijne. Het was wel een van de vele Europeesche, onbruikbare kostbaarheden, waarmede de een of andere handige handelaar zijne Hoogheid van zijn geld trachtte bevrijden, wat dikwijls maar al te goed gelukt. Wel werkt het geheel op onze lachspieren, maar het zou dwaas zijn, daarnaar de persoonlijkheid van den sultan af te meten; hij was een van die vorsten, waarmede de Indische regeering indertijd (in de negentig) wel degelijk rekening moest houden en die hare plannen uitnemend wist te dwarsboomen. In zijn eigen omgeving wist hij zich ook heel wat beter dan zijn opvolgers te doen gelden. Evenals de Europeesche vorsten zijn de Indische met een menigte teekens hunner waardigheid omgeven; zoowel hier als daar ontleenen deze hunne beteekenis voor hen en hunne rijken wellicht oorspronkelijk aan denzelfden gedachtengang, die evenwel in Indië tegenwoordig nog gehuldigd wordt. Zij bestaan uit allerlei kostbare voorwerpen van dagelijksch en oorlogsgebruik. De gewichtigste dezer rijkssierraden zijn wel de twee krissen, die door twee van des sultans vrouwen naast hem worden omhoog gehouden; rechts achter deze groep hebben twee zittende vrouwen evenzoovele pronksirihstellen op haar schoot, links twee anderen ieder een kwispedoor. Dan volgen aan weerszijden een rij vrouwen van dorpshoofden, die allen een kostbaar stuk dragen, waaraan door den vorst en zijn volk meer of minder waarde als rijkssieraad gehecht wordt. De wit glinsterende waren van zilver. Drie zonneschermen zijn in de groep opgenomen; op den achtergrond twee van het oude, vaste model, dat in de Javaansche Vorstenlanden slechts den vorsten zelf nagedragen mag worden, en links een van nieuweren vorm, verguld als vorstelijke kleur. Deze rijkssieraden ontleenen hun gewicht voor het rijk niet aan hunne kostbaarheid; vereering genieten zij door het algemeene geloof aan hunne bezieling, waaraan ook de overtuiging is toe te schrijven, dat van hunne goede behandeling en hun bezit de welvaart van het rijk in hooge mate afhankelijk is. In de Boegineesche en Makassaarsche rijken op Celebes is het uitoefenen der vorstelijke waardigheid aan hun bezit gebonden; in het vroegere Bandjarmasinsche rijk evenzoo. (Zie bladz. 34 Dl. II.) Hoogst karaliteristiek, voor de toestanden aan dit en andere Indische hoven werkt de omgeving van vrouwen om den vorst; aan Europeesche hoven zijn het krijgslieden, die de vorsten bij plechtigheden in hun nabijheid houden; de Indische geven de voorkeur aan vrouwen. Zeer waarschijnlijk, heeft zich deze gewoonte ontwikkeld uit den angst voor verraad hunner mannelijke nabestaanden, waarvoor blijkens de geschiedenis alle reden bestond. Dat de veelwijverij dit in de hand heeft gewerkt, mag als zeker aangenomen worden."