Schoolplaat 65. Offeren aan de geesten bij den woningbouw. Dajaks. Borneo
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "65. Offeren aan de geesten bij den woningbouw. Dajaks. Borneo”. Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” De bouwplaats van de in aanbouw Dajakswoning in de jungle. Mannen en vrouwen rusten uit en offeren voor het nieuwe huis in aanbouw. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Prof. Dr. A. W. Nieuwenhuis: "Godsdienst. Inleiding behorend bij platen 65 tot en met 73: Plaat 65. Offeren aan de geesten bij den woningbouw. Dajaks. (Borneo). Plaat 66. Dans van als geesten verkleede mannen. Dajaks. Plaat 67. Missigit met minaret. (Padangsche Bovenlanden). Plaat 68. School voor Mohammedaansch godsdienstonderwijs. (Padangsche Bovenlanden). Plaat 69. Koranschooltje. (Java). Plaat 70. Kerk, School en Ziekenhuis der Christelijke Zending te Pea-Radja. Bataklanden. (Soematra). Plaat 71. Tempel der Godin des Doods. (Bali). Plaat 72. Bouwval van den Hindoetempel Boroboedoer. (Java). Plaat 73. Bouwval van den Hindoetempel Mendoet. (Java). Plaat 65. wordt hier ook beschreven. De overige platen hebben eigen teksten. Een hoogst belangwekkend schouwspel wacht ons, zoodra wij het godsdienstig leven van de volken in den Indischen Archipel gaan behandelen, niet het minst daarom, dat wij hierbij kennis maken met een vroeger stadium onzer eigen beschaving. Met betrekking tot het aantal belijders bevinden wij ons in Indië in een mohammedaansch land, want van de 37.717.377 inwoners in 1905 waren 35.079.765 Mohammedanen, 789.187 heidenen, 535.863 Christenen, 170.444 Hindoe's en 644.630 belijders van andere godsdiensten, benevens 367 Israelieten. Deze getallen geven ons echter in geenen deele een voldoend inzicht in het gewicht, dat een godsdienstig leven volgens een bepaalden godsdienst voor de Inlanders en dus ook voor ons als heerschers bezit. Daarvoor is het van meer belang te weten, in hoeverre godsdienst en welk geloof het dagelijksch leven der Inlanders beheerschten; verder in welke mate de bevolking van Indië zich in hare houding tegenover andersdenkenden door fanatisme laat leiden. Hoewel het moeilijk is, een zoo sterk geschakeerde bevolking in een enkelen trek met betrekking tot het laatste te kenschetsen, zoo kan men toch wel aangeven, dat, zoo er niet eene bepaalde aanleiding tot het opwekken van fanatisme gegeven wordt, dit in Indië gewoonlijk op den achtergrond blijft. Het welsprekendst zijn in dit opzicht de verhoudingen op Java, waar sedert tachtig jaren de rust onder een mohammedaansche bevolking van nu 30 millioen zielen ondanks een lang niet altijd te haren bate gevoerd Europeesch bestuur bijna ongestoord gebleven is. In de heidensche streken komen ernstige uitingen van fanatisme hoogst zelden voor, dus fanatisch kan men de bevolking van onzen Archipel in 't algemeen wel niet noemen. Dat zij daartoe echter wel geprikkeld kan worden, zoodra oorlog, onoordeelkundige omgang of economische redenen daartoe aanleiding geven, dit wordt door bijna alle onlusten in mohammedaansche streken bewezen, o.a. in Atjeh. Hiervoor zijn zeker twee hoofdoorzaken aansprakelijk, voor eerst de bijzondere instellingen van den Islam, waarover straks, en verder de zeer groote beteekenis, die het godsdienstig leven voor alle Inlanders bezit. Daarmede betreden wij dus een voor een goed begrip van den Inlander en van zijne samenleving zeer belangrijk gebied. Er zou weinig overdrijving liggen in een uitspraak als deze: in eene inlandsche samenleving geschiedt niets, of het geloof is er meer of minder bij betrokken; dit geldt zoowel voor de middelen van bestaan als landbouw, visscherij, veeteelt, jacht, handel en industrie, als voor het gezinsleven met zijne geboorten, huwelijken, sterfgevallen enz. Van beslissenden invloed wordt dat geloof aan het ingrijpen van hoogere machten op het doen en laten van den mensch bij gewichtige voorvallen als oorlog, huizenbouw en andere ondernemingen. De groote massa der Inlanders staat nu ondanks een bijna tweeduizendjarige inwerking van veel hoogere godsdiensten als het Hindoeisme (sedert het begin onzer jaartelling), den Islam (sedert de 14e eeuw) en van het Christendom (sedert de 16e eeuw) toch nog op het geloofsstandpunt van zoovele weinig ontwikkelde volken (ook onzer vroege voorouders), dat alles, wat op aarde gebeurt, zoowel met betrekking tot mensch, dier, plant en levenlooze voorwerpen als tot de natuurverschijnselen evenzoovele uitingen van de werkzaamheden van geesten is. Deze geesten bezielen die alle of waren vrij rond en worden geacht, alle menschelijke gevoelens te bezitten, waardoor het mogelijk is, op hun doen en laten invloed uit te oefenen. Door het aanbieden van offers, het opzeggen van de in Indië zoo geliefde heldensagen en het nauwkeurig naleven van de door hen beschermde gewoonten (adat) kan men die geesten gunstig stemmen, evenzoo hen afweren met alles, wat den mensch zelf verschrikt. Ieder volk wendt daarvoor datgene aan, wat het zelf aangenaam, kostbaar en fraai dan wel lelijk, afschrik- en weerzinwekkend vindt. De groote groep van hiermede in verband staande verschijnselen vat men samen onder den naam van animisme. In zijn oorspronkelijke vormen vindt men dit in de samenlevingen der nog weinig door vreemde invloeden veranderde stammen als Dajaks, Toradja's, Alfoeren en Papoea's. Toch is het animisme ook onder de bevolking elders in den Archipel van overwegend belang. De oorzaak, waarom alle volken in hun kindsheid deze wijsgeerige bespiegelingen huIdigen, is deze: evenals wij trachten zij de natuur te verklaren met de kennis, die zij meenen te bezitten. Daar deze bij hen wel in een groot aantal feiten uit hunne omgeving bestaat, maar hun het inzicht in het oorzakelijk verband en den waren aard van deze ontbreekt, moeten zij voor die verklaring op andere wijze voorzien. Waarvan de menschen zich nog het best rekenschap meenen te kunnen geven, is hun eigen bestaan met zijn gevoelens van lust en onlust en de omstandigheden, die deze opwekken. Gelijk zij zichzelf opvatten, trachten zij nu ook alles in de natuur te verklaren. Om hun wijsgeerig systeem, dat zoozeer hun doen en laten beheerscht, te kunnen vatten, is hier dus een korte schets hunner denkbeelden over den mensch op zijn plaats. Voor hen bestaat de mensch uit een stoffelijk en een geestelijk deel. Het laatste veroorzaakt alle levensverschijnselen en bestaat af uit twee zielen (Javanen, Maleiers, Makassaren en Boegineezen, Dajaks, Toradja's en vele Alfoeren) of uit drie (Soendaneezen, Bataks, Niassers), terwijl sommige Bataks er zelfs zeven aannemen. Voor de eerste groep is een ziel tot aan den dood vast aan het stoffelijk lichaam gebonden; zij verleent dit de physieke levensverschijnselen als ademhalen, polsslag, de beweging der spieren, terwijl de tweede ziel zich van het lichaam verwijderen en rondwaren kan, hetgeen normaal gedurende den slaap, abnormaal door schrik, angst en door de inwerking van booze geesten geschiedt. De rondwarende ziel van den slapende ziet, wat deze droomt; de afwezigheid van de gewelddadig verdreven ziel doet zich voor het lichaam als tegenspoed of ziekte gevoelen; keert zij niet terug, dan volgt de dood. Bij het sterven ontwijkt ook de eerste ziel uit het lichaam, blijft evenwel op de aarde in de nabijheid rondwaren; de tweede ziel komt na eenige beproevingen in den hemel. Ook met betrekking tot zijn eigen zielen oordeelt de natuurmensch naar wat hij zelf voelt. Logisch tracht hij dan ook zijn afwezige ziel bij tegenspoed en ziekte door het aanbieden van offers en het doen van bezweringen met aantrekkelijke handelingen tot terugkeer over te halen. Een zeer opmerkelijke karaktertrek bij deze volken is hun nederige opvatting omtrent hun eigen plaats in de natuur, wat zijn oorsprong vindt in hun groote machteloosheid tegenover de natuur en de natuurkrachten. Het meest komt dat uit bij hunne denkbeelden omtrent de zooveel grootere macht der zielen van dieren (roofdieren), van vele planten (timmerhout), zelfs van voorwerpen en bij hun angst voor meer vrij dolende zielen of geesten. Met dezen bevolken zij de natuur in grooten getale en denken zich de booze onder hen op alle voor menschen angstwekkende plaatsen: in donkere bosschen, holen, op eenzame bergtoppen, ook wel in bijzonder groote steenblokken. De goede daarentegen, die in haar ontstaan veelal van overleden voorouders afgeleid worden (zie bladz. 45), leven meer in hemelsche gewesten. De booze geesten worden veelal gedacht als werktuigen in de hand van bestraffende hoogere goden, waarbij de voorstelling van eene hoogste, alles overheerschende godheid ook niet ontbreekt. De goede geesten kunnen de menschen tegen de booze helpen; verder verleenen zij aan de menschen bijzondere bekwaamheden (priesters, smeden, houtsnijders, tatoueerders, op Java ook als vertooner van het wajangtooneel); zij openbaren ook de toekomst met voorteekens, maar doen dat alles alleen, als de menschen hunne tevredenheid weten op te wekken. Vandaar dat men door het aanbieden van offers, het naleven der overgeleverde gewoonten, het gehoorzamen aan de voorteekens hen bevriend tracht te houden. In onzen Archipel is ook het geloof aan beschermgeesten, die aan voorwerpen van waarde gebonden zijn, sterk verbreid; oude erfstukken, bijzonder gevormde deelen van planten en dieren, in de mohammedaansche streken ook gewijde spreuken, ontleenen daaraan hunne waarde als amuleften. Het bezit der zoo opgevatte rijkssierraden alleen verleende aan de vorsten onder de Makassaren, Boegineezen en Bandjareezen de macht in hun rijk. Dit wijsgeerig stelsel van den nog weinig ontwikkelden mensch leidt tot twee groepen van maatschappelijke verschijnselen, die vooruitgang in beschaving in hooge mate belemmeren. Gedreven door het groote ontzag voor het geestenheir tracht men zich zelfs bij de eenvoudigste gebeurtenissen volgens de door de voorouders vastgestelde adat te gedragen; bij iederen stam leeft men naar een waar wetboek van zulke bepalingen. Verbodsbepalingen van allerlei aard vormen een groot deel daarvan. Daar zij slechts zelden aan de werkelijke behoeften van het oogenblik aangepast zijn, binden zij den rnenschen zeer de handen. Niet minder is dit het geval met het geloof aan voorteekens, die als gunstige of ongunstige in alle groote en kleine ondernemingen, tot bij den dagelijkschen gang naar den akker toe, geraadpleegd worden. Daar zij in hun aard niets met de onderneming zelf gemeen hebben, bijv. bestaan in het links of rechts hooren of opvliegen van bepaalde vogels, het verschijnen van een ree, het kruipen van zekere slangen, het vallen van een boom, zoo verhinderen zij, streng opgevolgd, een natuurlijke gedragslijn naar de eischen van het oogenblik. Zijn deze dwalingen tot zware lasten met betrekking tot hunnen vooruitgang in ontwikkeling geworden, ware ontaardingen van hun meer zachtmoedigen aanleg hebben de volken van den Archipel ondergaan door de ontwikkeling van koppensnellen en menschenoffers op grond van hun bijgeloof. Beide moeten worden opgevat als grootste offers aan de geesten; het koppensnellen dient vooral, om aan den geest van een -overledene slaven en bedienden in het hiernamaals te verschaffen, met welk doel ook soms ware hecatomben van dierenoffers gebracht werden. In vroegere tijden bestond het koppensnellen bij alle volken van den Archipel; door den invloed der Eurapeanen is het nu tot Nieuw-Guinea en omgevende eilanden en enkele streken van Borneo, waar ons gezag nog niet voldoende bevestigd is, teruggedrongen. Vooral wanneer wij later bij het bespreken der middelen van bestaan o.a. op blz. 68 zullen zien, hoe ook daar het animisme ten zeerste schaadt, zal het ons duidelijk worden, waarom de primitieve mensch door zijn geringe ontwikkeling niet in staat is, vooral in de voor hem hygienisch zoo nadeelige tropen met goeden uitslag zich tegenover de natuur te handhaven. Het sprekend bewijs daarvoor vinden wij in de geringe getalsterkte van 1-3 per K.M². der laagst ontwikkelden tegenover de 230 per K.M². op Java, waar gedeeltelijk eigen hooger beschaving, hoofdzakelijk echter de door het Europeesch bestuur geschapen toestanden die vermeerdering mogelijk maakten (zie bladz. 24 en 26). Toch is het niet te ontkennen, dat dit animistisch geloof een machtigen factor voor het bevestigen der maatschappelijke toestanden vormt; het zedelijkheidselement, dat bij hooge godsdiensten zoo'n weldaad voor hunne belijders wordt, ontbreekt dus hier in beginsel ook niet. Gelijk reeds op bladz. 25 werd uiteengezet, is door de hindoesche Voor-Indiërs een sterke stoot tot vermeerdering in beschaving in vele streken van Indië gegeven; na de 13e eeuw werden zij de verbreiders van den Islam. Op godsdienstig gebied hebben deze beide in ceremonieel en in de namen der goden en geesten wel ingrijpende veranderingen veroorzaakt, maar omdat ook den Voor-Indiërs een dieper inzicht in de natuur ontbrak, hebben zij aan de animistische wijsgeerige stelsels in den Archipel niet hun grond kunnen ontnemen. Vandaar dat nog tegenwoordig onder de massa van het volk de animistische opvattingen, dikwijls in een hindoesch (Bali en Lombok) of in een mohammedaansch kleed, als elders, het dagelijksch leven in Indië beheerschen, Vooral voor ons Nederlanders als heerschers en leiders der Indische volken is het in dit verband van belang, dat men begrijpt, wat het Mohammedaan zijn voor den Inlander beteekent. Hierbij valt de omstandigheid zwaar in het gewicht, dat de gewone Inlander en zelfs een groot deel der beschaafden niet weten, wat de instellingen van den Islam eigenlijk inhouden, zoodat vele daarmede strijdige gebruiken voor hen als mohammedaansch kunnen gelden. Zoo worden bijv. op Java de veelvuldige, eigenlijk heidensche offermalen, dikwijls met hun tooneelvoorstellingen en dansmeiden, door een mohammedaansch geestelijke, die ze met een gebed inleidt en er voorzit, als niet strijdig met dien godsdienst opgevat. De eigenlijke mohammedaansche instellingen hebben zich op het gebied van het familie- en erfrecht nog het meest ingang weten te verschaffen; in de onderscheiden streken van Indië echter in zeer wisselende mate. Door deze uitgebreide aanpassing van den Islam aan het volksgeloof (zie verder landbouw) is hij volksgodsdienst kunnen worden en hoezeer deze het leven beheerscht hebben wij boven gezien. Hierdoor worden de Inlanders onder daartoe voerende omstandigheden ontvankelijk voor den invloed van haar overigens vreemde instellingen van den Islam. In gevallen van ontevredenheid om economische of andere redenen zal het bijv. een handigen, mohammedaanschen voorganger niet moeilijk vallen het kettersche in ons bestuur op den voorgrond te plaatsen en de hartstochten met heilige plichten als den heiligen oorlog tegen ketters enz. op te zweepen. De nog aan onkwetsbaarheid, bezweringen en onmiddellijke hemelsche tusschenkomst van hoogere machten geloovende menigte behoeft dan niet veel aanleiding meer, om zelfs in geringen getale tegen ons gevestigd gezag in opstand te kamen. Op die wijze laten zich de in ons oog zinnelooze uitbarstingen van fanatisme bij onlusten, op Java bijv., verklaren. Om het boven over den godsdienst aangevoerde in het licht te stellen, zijn in deze reeks een negental platen opgenomen. No. 65 en 66 hebben betrekking op de nog geheel animistisch denkende Dajaks in Midden-Borneo. Zij verplaatsen ons bij twee gewichtige voorvallen in het leven dezer menschen, bij den bouw van een nieuw huis en bij het rijstzaaien. Plaat 65. Offeren aan de geesten bij den woningbouw. Dajaks. (Borneo). De op plaat 65 voorgestelde offerplechtigheid is niet goed te begrijpen, zonder dien bouw zelf en het gewicht, dat hij voor den stam heeft, daarbij in het licht te stellen. Deze Bahaudajaks aan den Boven-Mahakam bouwen lange stamwoningen op palen, welker vloeren drie à vier meter boven den grond liggen. Ieder huisgezin verzamelt het materiaal, hier hout, dat voor zijn deel der geheele woning noodig is. Een vrije Dajak heeft het recht, in de bosschen binnen het gebied van zijn stam de noodige boomen voor palen en planken van zijn huis te kappen; de vruchtboomen worden daarbij veelal gespaard. Gewoonte en bijgeloof beperken echter dit voorrecht zeer; zoo verbieden deze den vrije voor vloerliggers en versieringen ijzerhout, dat de hoofden gebruiken, aan te wenden; in den tijd van volle maan mag niet verzameld worden, daar anders het huis verbranden zal; het zoeken, kappen en bewerken van planken en balken mag alleen onder gunstige voorteekens, dus bij rechts opvliegen en roepen van bepaalde vogels, het zoo verschijnen van herten en slangen geschieden; hout voor dakbedekking mag niet gekapt worden, als er veel orchideeën en andere woekerplanten op groeien of als er veel mieren op loopen; wanneer een kleine boom tegen een grooten aanstaat of wel als een tak van een grooten door den stam van een kleinen rechthoekig gekruist wordt, acht men ze voor het verwerken ongeschikt; als vloerplanken bij het vervoer op vlotten met water in aanraking komen, mogen zij geen dienst meer doen. Wanneer bij het vellen van een boom in het oerbosch hij niet plat op den grond valt, bijv, tegen een nabijstaanden hangen blijft of wel eerst van den stomp afglijdt, dan moet men hem laten staan. Daar al deze animistische verbodsbepalingen, en zoo zijn er nog zeer vele, niets met het rationeele verkrijgen van goed hout hebben uit te staan, leggen zij bij den toch reeds zeer bezwaarlijken huizenbouw groote belemmeringen in den weg. Men houdt er zich echter streng aan, daar men anders als straf der geesten verbranden, omwaaien of spoedig vergaan van het huis vreest. Nadat nu in den vrijen tijd, van jaren soms, dit materiaal verzameld is, moet men den oogsttijd afwachten, om de helpers bij den bouw te kunnen voeden. Men is namelijk gewend met een 40 man of meer in een dag de oude woning af te breken en er de nieuwe voor in de plaats te stellen; die helpers worden dan door den bezitter gevoed, waarvoor men dagen te voren alles heeft moeten toebereiden. Bij groote huizen als die van een hoofd worden de onderdeelen op die wijze gereed gemaakt. Voor men aan den bouw eener stamwoning begint, moet de onder gunstige voorteekens daarvoor uitgezochte plaats ook onder gunstig geroep van vogels, zonder het verschijnen van reeën en slangen, leeggekapt worden. De Dajaksche stam, onder wien ik destijds vertoefde, slaagde daarin eerst bij de derde maal: Daartusschen had hij het terrein telkens weer moeten laten dichtgroeien. Voor het oprichten eener nieuwe hoofdenwoning zou het hoofd verplicht zijn geweest te gaan koppensnellen als offer aan de goden; nu leende men slechts een ouden schedel van een anderen stam, om daarmede de voorgeschreven ceremoniën te verrichten. Veel gewicht hecht men aan het oprichten van den hoofdpaal, en dit mag door geen ongunstig voorteeken gestoord worden. Daarom was men van plan dit 's nachts te doen, wanneer alle waarzeggende dieren zwijgen. Ongelukkigerwijze regende het dien nacht te sterk en werd het morgen, wat ons in staat stelde de photographische opname te maken, waarnaar deze plaat vervaardigd werd. Als hoofdpaal geldt niet een der met fraai snijwerk versierde dikste palen, maar de middenpaal. Van die zware, ijzerhouten palen ziet men er hier eenige op den grond liggen; zij waren 10 M. lang, hadden een omtrek van 1,80 M. en een soortelijk gewicht van 1,3 zonken dus in water. Bij het oprichten dezer gevaarten met 7 cM. dikke rotans als kabels liepen deze over een soort van galgen. Een vijftig mannen en vrouwen trokken daarbij aan de rotans onder groote belangstelling en luide aansporing van den geheelen stam; stort namelijk zulk een paal of wijkt hij ter zijde uit, dan moet de huizenbouw wegens dit ongunstig voorteeken voor langen tijd onderbroken worden. Zulke voorvallen kunnen zich bij den geheelen bouw voordoen. Toen de vrij dunne, hier afgebeelde middenpaal was opgericht en in zijne holte met aarde vastgestampt, voerde men den ouden, blinden priester, die met de rechterhand tegen den paal leunt, er heen, om de geesten ter plaatse te bezweren. Hij richtte zich eerst tot die op den nabij gelegen, steilen andesitkegel, vertelde hun wie deze Dajaks waren, dat zij daar ter plaatse eene nederzetting bouwen wilden en vroeg om hun zegen op den arbeid. Als offers aan hen werd een kuiken gedood, dat met een ei, op een bamboe gesteld, tegen den paal een plaats kreeg, gehuld in een krans groote bladeren tot afweer van booze geesten. Hetzelfde geschiedde daarna tegenover de geesten van de aarde, voor wie hij groote spijkers als kostbaar ijzer en kostbare oude kralen in den grond stak. Een krans van haakjes, uit vruchtboomenhout gesneden, werd om den voet van den paal opgesteld als symbolisch teeken, om voorspoed naar den stam toe te halen. Ten slotte kregen ook de geesten van de lucht een beurt; hun werd gele rijst door het werpen naar de vier windstreken geofferd. De plaat stelt het slot der plechtigheid voor; het offer is er reeds tegen den paal gebonden. Kenmerkend voor de gemoedsbewegingen van hen, die hierbij een hoofdrol vervullen, is de houding der drie hoofdpersonen in het midden, den priester en de twee vrouwen bij hem. De rechtsche is de oudste vrouw van het hoofd, die met den naar voren gerichten rug en de handen op het hoofd haar nicht. Zij brengen het offer voor de hoofdenfamilie en zoo voor den stam, maar dat dit voor haar geen kleinigheid is, geeft hare houding voldoende aan. De rechtsche vrouw heeft een stuk wit katoen, op het hoofd gelegd en een zwaard op zijde; de tweede houdt een fraai stuk doek op haar hoofd gedrukt. De oude priester omklemt met zijn linker, hier onzichtbare hand ook een oud zwaard en een stuk katoen. Het heir der opgeroepen geesten verschrikte deze menschen zoodanig, dat zij het ontvluchten van hun ziel en dus ziekworden en sterven vreesden. Om dit te voorkomen, werden haar zielen met fraai lijnwaad tot blijven gepaaid; de zwaarden dienden voor het afweren van booze geesten. Links achter den paal slaat een man op een groote koperen gong, om de opmerkzaamheid der geesten tot zich te trekken; de overige mannen en jongens staan gereed, om na afloop der plechtigheid met den arbeid voort te gaan."