Tien portretjes met potlood van mannen met verschillende hoofddeksels. Linksboven enige opmerkingen waaronder "Ind. Legerhoed". Op de achterkant een potloodtekening van een man zonder linker onderbeen steunend op een kruk. Op de achtergrond een schetsje van een man met krukken.
Hoed, zigzag gevlochten van bamboe strips, met een brede rand. De bol is eerst schuin toelopend dan naar boven rond. Het geheel is dubbel dik.
Maria de Boer (1908-1985), echtgenote van Alfred van der Hoeden (1908-2001) zat met haar zonen Jan (Jantje) en Robert (Robbie) vanaf januari 1943 gevangen in het vrouwenkamp Tjihapit en vanaf november 1944 in Adek. In deze tijd houdt ze een dagboek bij om haar man Fred later over haar leven en dat van haar kinderen te kunnen vertellen. In 1980 werkt ze deze dagboeknotities uit voor haar kinderen en hun gezinnen.
Ronde, spits toelopende hoed, gevlochten uit bamboe. Rondom een plastic rand en op de punt een plastic stukje ter versiering.
Geheel ronde, spits toelopende hoed, gevlochten van bamboe. Rond de buitenrand zit een dun ijzerdraadje ter versteviging.
Ronde, spits toelopende hoed, gevlochten van bamboe. Ter versiering zijn 3 banen ingevlochten, van de rand naar de punt, in de tinten groen, licht- en donkerpaars.
Ronde kegelvormige hoed van aaneengehechte palmbladeren. De hoed is geappliqueerd met een halve cirkel bruinrood gaasachtig katoen, de andere helft met handgeweven blauwzwart katoen. De top is versierd met een pompoen en katoen applique, vier stiksels. Aan de hoed een ophanglusje/sluiting van ijzerdraad. Rituele dracht voor vrouwen.
Eenvoudig, bolvormig hoedje zonder rand, vervaardigd van gevlochten stro. Een stukje boven de rand een franje ter versiering.
2 februari 1937
22 november 1940