Schoolplaat 64. Verblijf in rotsholen der Toala's. Celébes
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "64. Verblijf in rotsholen der Toala's. Celébes”. Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” Beneden in een rotsopening een opgetrokken paalwoning met van palmbladen bedekt dak. Voor de hut het opengekapt woonerf. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Prof. Dr. A. W. Nieuwenhuis: "Eenvoudiger dan op plaat 64 kan men zich een menschelijke woonplaats moeilijk voorstellen; het is de rotswoning van Toala's, een op zeer laag standpunt van beschaving verkeerende, van de jacht levende menschensoort in Zuid-Celebes (bladz. 24). De van bamboe vervaardigde, verheven vloer daarin getuigt nog van een streven naar gemak, dat echter in deze spelonken lang niet altijd aanwezig is. Het kalkgebergte levert zuIke holen het meest op, zooals ook hier, omdat dit gesteente niet slechts verweert en dan door erosie wordt weggevoerd, maar ook door het koolzuurhoudend regenwater wordt opgelost. Aan deze in de lucht verdampende kalkoplossingen hebben ook de hier als grootsche kegels van de rotswanden afhangende druipsteenvormingen haar ontstaan te danken. Ook overhangende, tegen den regen beschuttende rotswanden kunnen als holwoningen dienst doen. Hebben zulke holen lang, dikwijls honderden jaren, als toevlucht voor deze zwervende gezinnen gediend, dan hebben de asch der vuren, de afval van maaltijden en andere benoodigdheden veelal lagen van meters dik gevormd. Bij stelselmatige ontgraving vindt men dan daarin allerlei overblijfselen, die eene aanwijzing voor de levenswijze dier bewoners in lang vervlogen tijden opleveren. De ontdekkers der Toala's (de Zwitsers Sarasin) vonden in die holen o.a. steenen pijlpunten en andere voorwerven uit het daar nu verdwenen steentijdperk. In Europa verschaffen ons zulke rotsholen vele gegevens omtrent de levenswijze van bewoners tot uit het vroege diluvium. Men behoeft zich daarbij trouwens niet voor te stellen, dat zulke verblijven de bewoners zeer lang achtereen herbergen. Eenerzijds zijn het de na eenigen tijd jagen intredende wildschaarschte in de omgeving, anderzijds het rijpen van de vruchten in een ander deel van het woud, ook wel de angst voor de ziel van daar overleden familieleden, die deze bewoners er toe nopen, een andere tijdelijke woonplaats te kiezen. Zulk een stam van een of van enkele families bezit namelijk in de oerwouden der Groote Soenda-eilanden een bepaalde streek, bijv. het stroomgebied eener rivier in eigendom; zijne leden kennen daar alle woudboomen, die voor hen als vruchtboomen, wegens de bijennesten of als sago opleverende van belang kunnen zijn; evenzoo ook de tijden, waarin de eetbare vruchten daaraan rijpen of bepaalde wildsoorten en vogels aanlokken. Daarheen verleggen zij dan hun verblijf en leiden op die wijze een zwervend leven. Overschrijden der grenzen wordt door den naburigen zwervenden stam veelal niet geduld. Ook onder hen zijn de rechten op zulk een gebied en op de vrucht- en sagoboomen daarin erfelijk. (Zie bladz. 24)."