Interview Doortje Mol - Verweij
Interview, afgenomen als onderdeel van het project "Het Jaar 2602" over de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in de periode 1942-1945. De transcriptie is als volgt: 00:00 Ik heet Emma Theodora Verweij. En dat is mijn meisjesnaam. En ik ben getrouwd met David Mol. En ik ben geboren op 10 januari 1937. Ik ben dus nu net 71 geworden. 00:18 Mijn ouders die hebben mekaar aan boord van de Dempo leren kennen op weg naar Indonesië in 35. En mijn moeder die zou dus naar een nicht gaan in Bandung. Die reisde eerste klasse. Mijn vader was net afgestudeerd van Deventer als planter. Die reisde derde klas. Maar mijn vader had al meteen een oogje op mijn moeder. Dus het was over de reling en vrijen in een sloep. Op weg naar Indonesië. Ze zaten dus allebei aan een heel ander punt van Java. De ene west en de andere oost Java. Maar ze hebben elke dag geschreven naar elkaar. Zo is het contact dus eigenlijk gebleven. Na een jaar zei die mevrouw op Malabar, de hoofdadministrateur. Jij kan niet zomaar blijven schrijven. Je moet mekaar ook eens leren kennen. Dus ga jij nou maar eens 14 dagen daarnaartoe. Ze heeft een trein genomen naar Banyuwangi. Naar Krikilan. Dat is een kleine rubber onderneming. Waar mijn vader zat. Toen hebben ze besloten om te trouwen. Dat was 24 oktober 1935 geloof ik. Ik was de eerste. Mijn zusje werd op Malabar geboren. Malabar is een thee onderneming. In de Preanger. Iets boven Bandung. Prachtige omgeving. Vrij hoog. 1700 meter ongeveer hoog was dat. Dus lekker koel. Prachtige natuur. Ontegenzeggelijk. We hadden dus een eigen huis. Ik kan me dat huis heel goed herinneren nog. Ook omdat het natuurlijk na de oorlog nog stond. Dat was de enige dat niet was afgebrand. Mijn vader werd daar eerst de employé. Ja. Het was heel even later. Er waren maar vijf families ongeveer die daar woonden. Nou, je moet er maar contact mee hebben. Heerlijk. Maar als moeder heb je daar weinig te doen. Je kan wat sociaal werk doen. Die helpt de dokter nog wel. Ze was verpleegster. 02:28 Mijn vader is bijna een jaar eerder het Jappenkamp ingegaan. Die heeft nog als militair gewerkt. Nou ja, dat was nauwelijks verzet eigenlijk, Nederlanders. Maar ergens bij Bovenband noem ik. Dus die hadden we eigenlijk al bijna een jaar niet gezien. Hij was eigenlijk een van de eerste die een oproep kreeg. Jonge mannen moesten allemaal helpen het land te verdedigen. En die zagen we niet meer terug. 02:57 Omdat we op een onderneming woonden, kwamen we eigenlijk een beetje later in het Jappenkamp. En we hebben nog iets van zes maanden langer eigenlijk vrij kunnen zijn. Na een jaar dat hij dus weggevoerd werd, kregen wij een oproep dat wij de volgende dag heel vroeg zouden opgehaald worden. En mijn moeder die heeft van allerlei dingen ingepakt. Ze had een heleboel gedroogde vruchten bijvoorbeeld. Dat is nog heel blik gedroogde vruchten had ze bij zich. En wat kleding voor ons natuurlijk. Ze heeft een hele grote glazen stopfles onder de grond met zilvergeld en zo begraven. En zilvercadeaus van hun huwelijk, zilver en zilvercassetten. Die hebben ze allemaal onder de grond nog eventjes begraven voordat ze weggevoerd werden. Dat kan ik me nog heel goed herinneren, dat we daarachter in die auto naar beneden gingen. En ja, we vonden het eigenlijk een beetje een avontuur denk ik. 03:57 Ik was bijna vijf toen wij het kamp in gingen, maar wat ik ook heel goed kan herinneren, we kwamen dus in, ik geloof dat het een Kramat was, in een huis waar we nog allemaal een eigen kamer kregen. Dat was dus in het eerste jaar, was het nog, kon dat nog. En we kregen nog, we hadden nog een eigen bed. Ik denk dat we een kinderbedje hadden ook, maar we hadden een eigen bed. We hadden een, onder het raam hadden ze een opening gemaakt, hebben gewoon de bakstenen weggehaald en dan, als je het raam dan opendeed, dan had je een eigen ingang. 04:38 Kramat is naast Tjideng. En dat is ons geluk geweest, want Tjideng was veel strenger dan een gek die daar hoofd was, die Jap. En die heeft hele nare dingen uitgehaald daar in Tjideng. En wij zaten er net naast en dat was Mulder. We hadden ook een hele groep nonnen in ons kamp. En die gaf dan ook les. Gewoon schrijven en lezen en rekenen. Gewoon het hele eenvoudige gaven ze les in. En op een gegeven moment mocht ik ook meedoen. En we kwamen in zo’n ruimte. Daar hadden die nonnen overal strijkplanken neergelegd. En onder de strijkplanken zijn tegels losgemaakt en grond losgemaakt. En onder die tegels… Er zat een lei en een griffel. En daar schreven we dan gewoon mee. En er waren altijd één of twee moeders die stonden op wacht. Terwijl wij school kregen. En als ze dan merkten dat er een Jap aankwamen, dan werd er gezongen of er was een teken. En dan heel vlug ging die lei onder die tegels en de griffel. En dan gingen we zingen. Dat mocht dan wel. Maar niet schrijven of rekenen. Die nonnetjes, daar heb ik ongelooflijk veel respect voor. Ongelooflijk. Wat die allemaal weggaven. Hun laatste hap gaven ze nog weg aan de mensen. En wat ze allemaal deden en organiseerden voor ons. Het is niet te geloven. En steeds in die mooie witte pijen. In die mooie witte kapper. Ik zal het nooit vergeten. Dat is ongelooflijk. Ze waren ook geïnterneerd, maar ze bleven hun waardigheid houden. Gelukkig ook een heleboel vrouwen die dat deden. Die hun waardigheid hielden. Ik bedoel, je hebt dan een klein… Alles wat mijn moeder droeg was een shortje. En dan zo’n driehoek, zo’n sjaaltje. En dan ging dat zo om je nek. En dit ging dan zo hier om achterom. En dat was alles wat ze droegen. Want je was zo mager. Je werd niet meer ongesteld. En de rest was ook niks natuurlijk. Ik denk dat we ook wel geluk hebben gehad. Dat we… Ehm… altijd in een huis gezeten hebben. We hebben niet onder stro gelegen. We hebben nooit in barakken gezeten. Met een Brits. Nee, we hebben altijd in een huis gezeten. We hadden wel een jan tomaat er tussen. Als je dan een tomatenpakker kon krijgen… die zaadjes, die zaaiden we natuurlijk meteen uit. En als er dan plantjes kwamen en er kwamen tomaten aan… dan was altijd de Jap de eerste die ze afhaalde. Die ging de tomaten stelen. En dan moest je wel proberen om net eventjes voor te zijn. En dan dacht je… O, hij is bijna… komt er een beetje rood aan. Maar dan was hij weer weg. En dan een dagje te lang wachten. Dan had de jan tomaat het alweer gepakt. Ja. Ik weet nog dat ik uren achter… in een rij moest staan bij een kraantje. Dat dan druppelde. En dan moest je wachten tot dat dan gevuld was. Dan had je een beetje water voor je moeder gehaald. En dan stond er iemand achter. Die stond dan van… Jij hebt jonge benen hoor. Ga je maar weg. Ga maar achter staan. En ik was dan niet zo erg mondig. En liet ik dat ook wel eens gaan. Maar ondertussen moest je uren wachten tot… iedereen moest wachten op die kraan… dat je een beetje water kreeg. Dat kan me nog heel goed herinneren. En ook dat één moeder… die had drie zoons. En twee werden weggevoerd. Die waren dus tien en ouder. En die moesten weg. En dat was ook heel aangrijpend. Dat daar dan ineens die kinderen weggevoerd werden. En mijn moeder die hield ons wel apart. Want die wilde niet dat we dat zagen. Maar ja, je merkt het toch. Je weet het. En dat was heel naar. Kramat hebben we een kamer gedeeld… met de familie Tan… en met mevrouw Wenkebach. En mevrouw Wenkebach… die had nog altijd haar viool meegenomen. En die stond al s’ochtends vroeg. S’ochtends ging ze toch nog een beetje spelen. Een beetje te oefenen of zo. Gewoon ook voor zichzelf… om natuurlijk eventjes weg te zijn van alles. En een heel klein spiegeltje. En dan keek ze in een spiegeltje… terwijl ze aan het viool spelen was. Mijn moeder had een triplex doos. Een soort naaidoos… en daar zaten allerlei dingetjes in… die ze bewaarde. Ook van mijn vader… zijn portret enzovoort. In die doos zat ook de sleutel… van het huis in Dordrecht. Dat als zij het jappenkamp niet zou kunnen halen… had ze altijd gezegd aan ons… die sleutel is van dat huis… het adres. Dat moesten we uit ons hoofd leren. En dat was dan… Albert Kuifsingel. Een heel groot huis. Waar mijn grootvader dus ook zijn praktijk had. Daar ben je altijd welkom. Daar moet je naartoe gaan. Wat er ook gebeurt. Je gaat naar Holland. Je gaat naar dat adres… Met deze sleutel. 10:02 Ik kan me dat niet eens zo goed herinneren als wel dat we toen op transport werden gezet naar Jakarta. In de trein. En die trein was... Ja, die trein was eigenlijk heel erg donker. Mijn moeder die had een plek in het midden. Met een bank in het midden en dan aan de zijkanten ook nog een bank. En dat was natuurlijk heel naar. Ook dat lopen. We moesten uren lopen. Met rugzakken. We hadden iedereen een rugzakje en een po en een fles. En ik weet niet wat allemaal. Daar aan mijn moeders riem hing. Er zat zo'n riem en daar hing van alles aan. En dan die rugzak. En dus allemaal in die trein. En mijn moeder die hielp ook de zieke mensen nog hoor. Zover je... Je hielp iedereen elkaar wel een beetje. Maar ja, je had natuurlijk ook kinderen. Nou ja, midden in de nacht mochten we heel eventjes uit. Om ergens in de straat een plas te doen. Mijn moeder die had voor ons wel een potje. En dat werd dan wel leeg gegooid. Maar de ouderen die moesten het op een andere manier proberen op te lossen. Eigenlijk kreeg je ook helemaal geen eten of drinken of zo. In die hele reis niet. Die geslotenheid. Dat zo lang duurde. Zo lang stilstaan. Zo lang weer... tukke-tjukke-tjuk naar voren. Ik denk dat ik dat nog het ergste vond. 11:36 In Bandung zaten we ook nog in een ander kamp. En toen werd mijn moeder ziek, die had geelzucht in het kamp. En dan moesten wij naar een kindertehuis. En daar moesten we vloeren dweilen. Ik weet het nog, die vloeren dweilen. Dan ben je vijf jaar en dan zijn die vloeren zo lang en zo groot en zo breed. Eén ding had ik wel, dat was water en ik kon een douche nemen. Mijn zusje zag ik helemaal niet. Dat was weer een andere kamer. Dat kindertehuis zorgde wel voor ons, maar we moesten wel werken daarvoor. Een paar vrouwen die dat deden, of ongetrouwde vrouwen. Het werd eigenlijk onder de vrouwen vaak heel goed georganiseerd. Ik sliep dan ook in een afdeling waar ook zieken lagen. Als tafelbedjes. En er was één meisje bij, die was zo'n vier, vijf jaar oud. Ouder dan ik. En die leerde ons liedjes avonds. Die zong liedjes en die leerde ons liedjes. En ineens was dat meisje weg. Dat vond ik een ongelooflijk gemis. Na dat dweilen en water en ophalen en in de rij staan altijd maar weer. Daar had ik me zo aan vastgehouden. Het was een vrolijke nood. Het was iemand die daar lag als jij er was. Als je terugkwam. En ik vraag waar ze was. En ik kreeg er geen antwoord op. En later hoorde ik dus dat ze gestorven was. Ja, dat inderdaad. Ja, zodra zij die ziekenboeg uit kon, werden wij weer opgehaald. En dan mochten we weer met mijn moeder naar dat plekje wat onze plek was. In het kamp. Nou ja, na dat tweede kamp in Bandung zijn we dus op transport gezet. Nee, dat tweede kamp werd... werd er gevraagd aan de vrouwen om... wie er eerst weg wilde. Maar liever hadden ze dus dat sterkere vrouwen zouden blijven om het kamp op te ruimen. Toen zei mijn moeder, ik blijf. Ik blijf wel opruimen. En wij vonden dat wel heel mooi. Want ineens was het halve kamp leeg. En wat al die mensen hadden achtergelaten. Dat gingen wij dan allemaal eens onderzoeken. Zit er nog wat tussen, weet je wel. En ik heb toen een wekker gevonden. Een beetje grote wekker. En die hebben we eigenlijk tot... tot een paar jaar geleden... als een soort souvenir gehouden. Tot iemand mij aansprak van... als je nog iets uit Jappenkamp hebt, dat verzamelen we allemaal. Toen zei ik, nou hier heb je die wekker. En heb ik nog een bedankbriefing voor gekregen ook. Ja. Maar goed, dat is uit dat kamp. En we hadden het rijk alleen ineens. Spelen en alles was makkelijk. Mijn moeder was toch de hele dag weg. Maar dat gebeurde niet meer in Kramat. Want in Jakarta, daar was... iedereen was eigenlijk al uitgeblust. 14:39 Ja, zeker. Ik moest elke dag, hè. Ja. Elke dag, jaske, kere, nore, bakre. Jaske, kere, nore, dan was staan en stromen en buigen. En bakre, dan mocht je gaan. Ja. Dan mocht je weglopen. Maar dan moest je eerst van alle dingen aanhoren, wat er allemaal gebeurde. Wat de Jap wilde dat je deed. Ja, nee, maar dat kan ik me heel goed herinneren. Maar als er dan zo'n controle was, dan probeerden we toch ziek in bed te liggen. 15:17 Ja, dus nu en dan had je natuurlijk ook, weet ik nog, dat mijn moeder ook de beurt had om de beerput leeg te halen. En dan staat je tot zover in de drek. Mijn moeder heeft eigenlijk altijd in de ziekenboeg gewerkt. Als ze niet zelf ziek was, maar dat viel wel mee. Na het eerste kamp dat ze ziek is geweest, is ze naar mijn herinneringen eigenlijk niet meer echt ziek geweest. Dus de gaarkeuken, alles werd gewoon verdeeld. Maar mijn moeder, die wilde niet voor die gaarkeuken werken. Want je krijgt dan al dat eten onder je neus en je moet dat verdelen. En je moet maar hartstikke sterk zijn om niet zelf wat achterover te drukken. Voor je kinderen of zo. En dat werd natuurlijk in grote mate gedaan. Dus daar voelde ze zich niet veel voor. Dus die ziekenboeg was voor mijn moeder nuttiger. Dat lag haar ook meer. En de vrouwen hebben dat toch wel heel vaak heel goed gedaan. 16:17 Dat was ook de periode dat ze nog wel eens wat eten kregen. Ik weet nog wel een krab. We kregen krab en dan zag je die krab allemaal krioelen. En die werden dan door onze moeders in een hele grote pan kokend water gegooid. En dat gegil, dat zal ik ook nooit vergeten. Vreselijk. De hoge piepen van die levende krab in het hete water. Vreselijk vond ik dat. Maar ja, iedereen wilde toch wel iets eten hebben. We hadden een heel goed team in dat huis. Die zorgde dat het eten echt heel goed verdeeld werd. Dat niet iemand meer kreeg dan een ander of zo. Ja, alles ruilde mijn moeder. De trouwring, alles ruilde ze voor een stukje brood. En wat we kregen was van stijfsel gemaakt. De brood was van stijfsel, een soort stijfselbrood. En dan probeer je met een kaarsvet een klein beetje te bakken of om er iets van te maken. En dan weet je nog goed, dan draaien ze het wel eens om zo. En dan is het een pannenkoek als je het omdraait. En dan bleef het aan het plafond hangen. Zo'n plakkerig naar ding was dat. Maar ja, we aten het wel natuurlijk. 17:30 En daar heb ik ook voor het eerst gezien hoe mensen die dan niet naar de Jap luisterden, dat ze dan in de hete zon moesten staan, wijdbeens en de armen naar wijd. Je mag je niet laten vallen. Vreselijk, in de brandende zon, ontzettend. Dat zou ik ook nooit vergeten. Mensen die geschopt en geslagen werden omdat ze niet in de rij bleven lopen. Kramat was dus het laatste kamp waar wij zaten. Ik kan me nog wel herinneren van Kramat ook, dat ineens in Tjideng, dat was alleen maar zo'n muur tussen, zo'n bieleke muur tussen, had iemand opgevangen van... ze hebben straf, ze krijgen drie dagen geen eten en drinken. En dat hebben wij ons, tenminste in ons kamp, ontzettend aangetrokken. Hoe kan je nou zo'n straf hebben als je eigenlijk al niks hebt? Helemaal geen eten en drinken krijgen. Maar dat drukte ook een stemming bij ons, eigenlijk. Dat zoiets kan gebeuren, dat dat ons ook zou kunnen overkomen. Ik moet wel zeggen dat in ons kamp, in Bandung, is mijn moeder wel een keer heel erg hard geschopt tegen haar scheenbeen en daar heeft ze jaren nog last van gehad. En dat is de enige straf die ik dus weet wat haar is overkomen, omdat ze niet snel genoeg buigt, ging buigen voor de Jap geloof ik. 19:00 Er zat wel een kamphoofd die dus vertaalde of dan iets van Japans verstond of wat dan ook. En die wist dan wel wanneer de Jap weer eens kwam controleren. En deden we net of we allemaal ziek waren. Mijn moeder die liet wel eens zien wat ze deden als ze naar het ziekenhuis kwamen. En dan deden ze net of ze al die verpleegsters ook nog allemaal gek waren. En dan gingen ze allemaal voor die dingetjes, weet je wel. En dan deden ze allemaal gekke dingen om maar te laten zien dat hier is niks te vinden. Er zijn alleen maar gekken hier die rondlopen, weet je wel. Nou, en wij moesten dan ineens heel hard gaan hoesten en in bed en onder een deken liggen. We waren allemaal, ineens hadden we heel veel koorts en hoefden niet op appel en zo. Dat kan ik me nog herinneren, dat we dat allemaal... En als zo'n kamphoofd dat dan wist, zei ze, luister, ze komen weer. En Jappen waren als de dood voor aangestoken te worden. Dus als ze zei, ja, pas op hoor, er zit rode hond tussen en het woekert hier. Daar hebben wij medicijnen voor nodig. En nou, die medicijnen kregen we natuurlijk nooit, maar ze bleven wel uit de buurt. 20:17 Maar toen werd ik vijf. Toen hebben we een heel groot feest gehad op het onderneming. We hadden geen andere kinderen, dus als ik jarig was, dan merkte ik er eigenlijk heel weinig van. Maar nu ineens had ik een fantastische verjaardag met spelletjes en een heleboel kinderen om me heen. Die verjaardag zal ik nooit vergeten. Mijn vijfde verjaardag. Het was een geweldige ervaring. Een pluisje blazen. Een hele grote ronde tafel en al die kindergezichtjes om die tafel heen. En wie dan het pluisje weg kon blazen. Ik vind die hele eenvoudige dingetjes. En we hadden Corrie Vonk in ons kamp. En op een gegeven moment... Dat kan ik nog heel goed herinneren. Er waren twee piano's op zo'n wagen gesjouwd. Dat is het hardste werk hoor. Dat was ontzettend zwaar, op zo'n kiepding met iets van twee of drie wielen. En die moesten naar een bepaald huis gebracht worden. Dus Corrie Vonk is op een van die wagens geklommen, maar die is spelend door het Jappen-kamp op die piano gegaan. En die gaf nog wel eens een uitvoering ook toen. Ja, dat kan ik me nog herinneren. Ja, dat was natuurlijk erg leuk. Dat mensen daar allemaal naar hunkerden om toch iets van cultuur, iets van vrolijkheid. Dat is natuurlijk een geweldig werk wat zo'n vrouw kan doen, om eventjes alles te vergeten. Het cabaret werd natuurlijk opgevoerd. Dat werd ook gedaan. 21:49 Eigenlijk het meest aangrijpende denk ik dat ik vond dat toen eindelijk gezegd werd dat er vrede zou zijn en dat de vliegtuigen overvlogen met voedselpakketten, dat ineens toch nog een paar vlaggen tevoorschijn kwamen die uit beertjes of waar dan ook verstopt waren, meegenomen waren, wat ook ons helemaal verboden was. En nog tevoorschijn kwamen dat ze allemaal naar buiten gingen en op het Grote Plein en dat mevrouw Wenkenbach dus de viool pakte en het Wilhelmus speelde. Ja, dat was fantastisch. Ja, dat was echt heel fantastisch. En ik kende het toen natuurlijk nog niet, maar ik weet wel dat de mensen die dus om ons heen stonden de eerste drie zinnen meezongen en daarna niet meer. En dan ben je zo echt geëmotioneerd dat je niet meer zingen kan, hè. En ze stonden zo alleen te spelen. Ja, dat was heel emotioneel. En toen, nou ja, daarna zijn we vrij vlug eigenlijk uit de kamp uit gegaan. Toen wij uit het Jappenkamp kwamen, is mijn moeder als een van de eerste wilde eruit. Het was eerst nog gevaarlijk, dus ja. En toen dat een klein beetje luwde, gingen ze met een convooi. Toen kreeg mijn moeder een appartementje in het Koningsplein, wat nu het paleis is in Jakarta. En dat was zo'n belevenis. Dat was zo geweldig dat je een eigen appartementje kreeg waar eigenlijk de bediendes vroeger, of later ook, de bediendes woonden. Dan kreeg je dus een klein platje, was dat, en een kamer. In die kamer stond een vrij groot bed met een klamboe. En ik zie mijn moeder nog. Naar dat bed lopen. En ze aaide over dat bed, met een laken eroverheen. Kind, een bed. Een bed. Ze was helemaal lyrisch over dat bed. Dat je daar kon liggen. Dat je niet op de grond, op een matje, op een tikkertje moest liggen. En een ruimte had. En daarachter zat nog een soort mandibak met een *** gayong, dus met zo'n blik. Of god joh. Je had genoeg water en je hoefde niet in de rij. Dat was zo'n rijkdom. En we konden dus in de eetzaal gezamenlijk eten. En ik weet nog dat mijn moeder zei, nou je mag alleen maar twee boterhammen eten. Dus moest heel langzaam opwerken. Toen we dus in Koningsplein dat appartementje kregen, is mijn moeder op zoek gegaan naar mijn vader. Maar ik heb helemaal niets gemerkt van veilig of onveilig. Op het terrein van het paleis, voor, dus voor het paleis, was een hele grote groene tent. En daar zaten de Gurkhas. Die hebben ons altijd beschermd. Die leefden in die tent. Die hadden een hele voorraad met blikjes, met eten. En elke ochtend was dat ook weer. Haar kammen. En dan stonden ze zo voorover, met hun haren naar voren. En dan werd uitgekamd. En dan weer helemaal in die tulband gedraaid. En die waren verschrikkelijk aardig voor ons. En dan mochten we bij hun in de tent komen. En het was heel groot. En die flappen zijn geopend. Dus het was heel makkelijk. Heel gastvrij ergens. En ik kreeg weleens een blikje. En ik weet nog goed dat we dol waren op de corned beef. Een blikje corned beef. Ik hou nog steeds van corned beef. Ik weet het niet. Maar ik vind het heerlijk. En mijn moeder zei, maar dat kan je toch niet doen? Ze zei, maar dat hebben we echt gekregen. We hebben echt gekregen. En dat was ook zo. Ze gaf ons zo'n blikje door. Maar we kregen toen al haar eten uit. Die grote witte broden. Ik denk dat die uit Denemarken kwamen of zo. Die kregen we elke dag. Met beleg. Dus we hadden eigenlijk geen honger meer. Maar dat waren natuurlijk allemaal van die hele luxe dingen. 26:06 In de kamer waar wij, waar mijn moeder en mijn zusje en ik in sliepen, in Kramat, woonde niet alleen mevrouw Wenkenbach met haar viool, maar ook een familie Tan. En heel lieve mensen. Maar het trieste was dat haar man was een van de eerste mannen die het Jappenkamp, inkwam om zijn familie terug te vinden. En die zei, kom je nou maar mee, we gaan naar buiten. En toen ze het kamp uitliepen en iets wilden kopen op de pasar, kwam er een groepje van die Romoesjas en die schoten hem dood. Hij sprong voor zijn vrouw, maar hij werd getroffen. En die verslagenheid van die mevrouw Tan... Tan, met haar zoontje en haar dochter, die het allemaal hebben meegemaakt, zal ik ook eigenlijk nooit vergeten. Ik kan me nog zelfs die man herinneren, hoe die eruit zag. Een grote, sterke man. Die daar ineens voor de ogen van zijn vrouw en kinderen doodgeschoten werd. Dat was een hele dramatische iets in ons kamp. Het werd ons gezegd, ga niet het kamp uit. Dus we hadden dus het Wilhelmus gezongen en ongeveer twee dagen daarna kwam die man al het kamp in. Het was natuurlijk heel vlug en heel gevaarlijk ook van hem om dat te doen. En toen werden de Japanners niet ons vijand, maar zij hebben ons dus beschermd. Ik weet niet hoe dat precies voelde, ik weet wel dat we meer eten kregen. We kregen beter eten en iets meer dan we anders kregen. Dat was een soort opluchting. Maar dat ze ons ineens beschermden, was ook voor de Jappen wel dat die beschermd werden. Want een heleboel voelden dat ze hun gezicht verloren hadden. Er werd natuurlijk ook wel harakiri gepleegd en zo. Maar buiten het kamp, ik weet nog heel goed dat ze werk kregen en zelf de goten moesten leegscheppen enzovoort. En dat er wel eens vrouwen waren die er een hele lelijke woorden toe riepen en het liefste ze in hun gezicht wilden schoppen van wat ze allemaal gedaan hadden. Dat kan ik me nog wel herinneren. Ik heb het niet gezien gebeuren. Maar ik heb wel dat die Jappen gezien zo, dat je inderdaad met zijn hoofd net al boven de grond kwam. Hoe makkelijk het zou geweest zijn om dat te doen. 28:57 Maar ondertussen wist ik nog niet waar mijn vader was. Dat had ik nog niet gevonden. Dus mijn moeder ging al die instanties af. En toen vonden we hem in Singapore. Hij was dus overgevlogen, hij zat dus in Sumatra... en overgevlogen naar Singapore. Naar Johor, dus een ziekenhuis. En nou, dat hebben ze eerst een maand... hebben ze eigenlijk gecorrespondeerd met elkaar. Ook eigenlijk verteld wat er allemaal gebeurd was enzovoort. Toen besloten ze dat wij dus naar Singapore zouden gaan. Dus hebben we een boot, een Arabische boot... zijn we mee naar Singapore gevaren. Hij heeft er vier dagen over gedaan. Ik vergeet niet hoe lang het is van Jakarta naar Singapore. Maar er waren Arabieren die daar aan boord zaten... met dat hele lange haar en tulbanden... die ze elke ochtend weer opmaakten, uitkamden en opmaakten. En wij, ze hadden ons in een ruim gezet. In het ruim van het schip. En daar hingen allemaal hangmatten. En wij mochten dan in zo'n hangmat slapen. We kregen goed eten, maar... als wij dan naar beneden gingen om te gaan slapen... moesten we eerst... deden we een wedstrijd wie de meeste kakkerlakken kon doodslaan. Want het ruim was vol met kakkerlakken. Dat is vreselijk. We waren natuurlijk al lang kakkerlakken gewend in het Jappenkamp. Maar dit was heel erg. Want ik weet nog wel, als ik dan wel eens wakker werd s'nachts... en ik keek zo om me heen... die Arabieren die zaten dan een beetje achteraf daar... maar ik zag bij mijn moeder ook... gewoon zelfs kleine kakkerlakjes... om de mond zitten. Maar dat heeft dus vier dagen geduurd. En die had van die sweep... pantoffels... en daar sloegen we dan allemaal mee dood. Mijn vader had... een honger-oedeem. Die was heel erg dik... en die mocht... eindelijk het ziekenhuis... mocht hij een paar uurtjes eruit. Toen dacht ik nou, ik ga even naar het postrestant... kijken of er nog een brief is van mijn moeder. En hij doet die brief open... en ziet dat ze precies dan... aankwamen aan de haven. Dus heeft hij meteen een bedjar genomen... naar de haven. En hij kwam precies op tijd aan. We waren gemeerd en... er waren al mensen die opgehaald werden... en daar stond hij. Mijn moeder zei, nou die heeft... mijn brief niet ontvangen. Maar het was dus net op het nippertje. En toen zijn we met hem meegegaan... naar het ziekenhuis. En daar werden we helemaal nagekeken en onderzocht. En mijn moeder weer naar... een vrouwenafdeling en mijn zusje en ik... naar een kinderafdeling. Maar overdag... konden we elkaar dan wel ontmoeten. Maar ik zal het nooit vergeten... dat die kinderen die... om mij heen lagen, waren allemaal... kinderen die... slachtoffers van de oorlog. En dat waren kinderen die geen benen hadden... of armen misten... of een stuk van hun gezicht... misten en zo. En niet dat Jappenkamp... die kwamen van andere oorlogen... maar die kwamen wel daar liggen. Het was heel vreselijk. Dat gekreun en dat... kinderen van je eigen leeftijd die er zo uitzagen... en zo... vreselijk. En dan denk je... we hebben dan wel in Jappenkamp gezeten... we hebben wel honger geleden en zo. Maar we hebben... dit niet meegemaakt. Dat je kapot... geschoten werd en zo. En die kinderen lagen allemaal om ons heen. Dus ja... zei mijn moeder nou... je mag maar blij zijn dat je er zo goed vanaf gekomen ben. 32:21 Wij konden aan boord van de Nieuw Amsterdam komen. Terug naar Nederland. Dus die boot die ging van Jakarta, kwam die nog even langs Singapore. Om daar weer mensen op te halen. En wij konden erbij. We werden ingedeeld in een tweepersoonshut met z'n zestienen. Allemaal stapelbedden. Ook weer gescheiden, mannen en vrouwen. Nou, de kinderen konden dus wel bij de moeder blijven. Maar ja, iedereen kreeg werk aan boord. Mijn moeder ging eten rondbrengen naar zieke mensen die niet uit hun hut uit konden komen of zo. En mijn vader had corvée. Die hielp dan weer andere mensen. Want die was weer goed te been. Dat ging dus wel weer. Toen bleef het nog in de Suezkanaal steken. Daar weer dagen gewacht. In Attica kreeg je dat. We kregen weer kleding. We kregen weer winterkleding. Mijn moeder had een stuk deken afgeknipt. En daar twee mutsen voor ons aan elkaar zitten naaien. Die was altijd handig. Die wist altijd overal wel een uitweg op. Toen kwamen we in Southampton aan. Rotterdam was kapot gebombardeerd. We konden dus niet naar binnen. Het is in Southampton gemeerd ongeveer. En daar... zouden we dus verdeeld worden. Daar kwamen vijf doktoren aan boord. En een van die doktoren was een oom van ons. Die mijn moeders zagen. Dokter Metrop. En... nou ja, mijn moeder die zag hem. Die vloog hem om zijn nek. En die zei, oh eindelijk, eindelijk is nieuws. Van je familie. En dus toen kon je echt horen dat de ouders nog leefden. En dat mijn vaders ouders nog leefden. En nou ja, dat het allemaal wel goed was. En die zei... Mijn zusje en ik waren dus uitgekozen om in Southampton te blijven. Want we hadden allemaal mazelen en longontsteking. Het hele schip was ziek. En dus wij... best dagen apart op Britsen. Op die vouwbedjes. En... mijn oom zegt, blijven jullie nog maar lekker liggen hier. Ik zal kijken voor een oplossing. En toen is hij gewoon weggegaan. Hij heeft zijn werk gedaan met die vijf andere artsen. Toen kwam hij een uur later of zo. Een poos later kwam hij terug naar ons toe. En hij zei, jullie gaan mee in de auto. Ik ben hier met de auto. En wij gaan... jullie gaan mee naar Amsterdam. En met de auto gaan we naar Amersfoort. En daar had hij dus zijn praktijk. 35:07 Inmiddels had mijn oom mijn tante opgebeld. Dus mijn tante wachtte ons op. Ja, dan krijg ik mijn zuster met twee armzalige kinderen. Nou, dat wordt me wat. Dus we hebben eigenlijk alle kinderziektes gehad in Amersfoort. Ik weet dat... nou, ik was echt kantje boord. Ik was bijna dood, echt. Onderweg heeft hij me nog een injectie gegeven. En het was heel erg koud. Het was zo vreselijk koud. Die winter. Hoe we in Amersfoort gekomen zijn, weet ik niet. Maar ik weet wel dat er allemaal sneeuw om me heen was. En dat hij mij een injectie gaf. En dat het toen weer ging. In Amersfoort hebben we dus kinkhoest gehad. En mazelen. En geelzucht. Ik weet niet, we hebben al die kinderziektes. Alles hebben we ineens... Ja, dat kwam allemaal naar boven. Dat kregen we. Dus we hebben iets van vier maanden ziek gelegen. Mijn tante, die dus ook verpleegster is. Mijn grootvader was arts in Dordrecht. En ja, dat hebben ze gewoon meegekregen. Dus ja, op een gegeven moment waren we goed genoeg om naar buiten te gaan. En eruit te gaan. Nog even op school gezeten. Ik heb nog even op de lagere school gezeten. En mijn zusje in een schooltje. Wat in datzelfde huis was. Een kinderopvang. Toen zijn mijn ouders vrij vroeg, toen wij al nog ziek waren... hebben ze een bus genomen naar Dordrecht. Want het eerste wat mijn moeder natuurlijk wel wilde... is naar Dordrecht. Dus na tien dagen, nadat ze zelf allemaal een beetje de draai gevonden hadden... zijn ze gaan liften. En hebben ze een bus genomen, allemaal naar Dordrecht toe. En toen heeft ze die mooie sleutel kunnen gebruiken. Na tien jaar lang. Na tien jaar heeft ze die sleutel in een slot gebruikt. En ja, dat was voor haar natuurlijk erg emotioneel. En toen kwam ze dus bij... zag ze haar ouders weer terug. Na tien jaar. En mijn grootmoeder, die was dement. Maar ja, die begreep het wel. Maar mijn grootvader, die was verlamd. Die lag in bed. Werd door verpleegster helemaal verzorgd en zo. Maar daar kon je nog meer praten. Dat kon nog. Dus dat was een fantastische weerzien. Dus na drie, vier dagen zijn ze weer teruggegaan naar Amersfoort. Naar ons. Daarna kregen we een appartement. Met mijn vaders ouders, die in Den Haag woonden. In de Van Aerssenstraat. Dus daar hebben we nog een klein jaartje gewoond. In de Van Aerssenstraat, hier in Den Haag. 37:53 Na het Jappenkamp hebben wij lang zo’n nare tijd niet gehad als anderen. En ik voel me daar erg bevoorrecht bij. Mijn moeder is nooit haatdragend geweest of zo. Ja, de oorlog is nou eenmaal de oorlog. En die rot Jappen, dat werd natuurlijk weleens gezegd, net zoals ze het hier weleens zei, van die moffen, weet je wel. Ja, dat blijft nog wel een poosje hangen natuurlijk. Mijn ouders hebben eigenlijk, wij waren eigenlijk nooit meer over Jappenkamp gesproken. Het is een periode, die is geweest. En wij moeten aan onze opbouw bouwen en niet haatdragend worden en achteruit kijken van wat er niet allemaal gebeurd is. Daar hebben we helemaal niks aan. En daar ben ik ook erg blij om. Nou, in ieder geval denk ik dat je meer respect hebt voor eten bijvoorbeeld. Ik zal ook nooit iets weggooien. Als je mij zou vragen, wat zou je nou het eerst weggooien? Een hapje rijst of een hapje aardappels, dan zou ik zeggen, het aardappel mag weg. Laat mij die rijst maar staan. De rijst met een beetje zout was mijn lievelingsgerecht. Dat is heel lang zo gebleven. Je krijgt, je kijkt wel uit. Je bent wel wat, wat misschien zuiniger, ja, zuiniger, voorzichtiger geworden. Je hebt meer respect voor wat je hebt. Je bent blij met wat je hebt. Want je hebt niet alleen alles verloren in het Jappenkamp of voor het Jappenkamp, maar ook door al je verhuizingen. Daaromtrent. Mijn ouders hebben eigenlijk drie keer alles opnieuw moeten doen. Verloren of opnieuw moeten inrichten. Ik kan geen druppel in de kraan zien. Dat vind ik zoiets verschrikkelijks. Meteen doe ik er een nieuw leertje in of zo. Ik kan ook niet met mijn rug naar een deur zitten. Dat vind ik ook afschuwelijk. Dat je niet weet wie er binnenkomt. Dat je dat niet meteen ziet.