
De Nederlands-Indonesische Ronde Tafel Conferentie (RTC) in Den Haag was een overleg tussen vertegenwoordigers van Nederland, de Republik Indonesia en de Bijeenkomst voor Federaal Overleg (BFO), een samenwerkingsverband tussen vertegenwoordigers van federale deelstaten buiten de Republiek. Ook een commissie van de Verenigde Naties, de United Nations Commission for Indonesia (UNCI), was aanwezig om zo nodig te bemiddelen. De conferentie had als doel het voorbereiden van de onvoorwaardelijke overdracht van de soevereiniteit aan Indonesië, zoals was afgesproken op 7 mei 1949 in het Akkoord van Rum-Van Roijen. Vanwege de vele onderwerpen die moesten worden besproken, waren de vergaderingen thematisch verdeeld over een aantal commissies. De conferentie eindigde met de bereidheid van Nederland om de soevereiniteit formeel over te dragen aan de Verenigde Staten van Indonesië (VSI). Indonesië zou een federatie van deelstaten worden, met koningin Juliana als staatshoofd, en zou in een unie met Nederland worden verbonden. De VSI ging akkoord met het overnemen van de staatsschuld van voormalig Nederlands-Indië. Hiermee leverde de overdracht van de soevereiniteit aan Indonesië Nederland omgerekend ruim 103 miljard euro op. Ook stond de VSI toe dat Nederland Nieuw-Guinea (het huidige Papua en Papua Barat) behield, een kwestie die in de jaren vijftig en zestig opnieuw tot een gewapend conflict zou leiden. Op 27 december 1949 werd de Indonesische onafhankelijkheid definitief. De geplande unie kwam uiteindelijk niet tot stand. In plaats daarvan riep Soekarno op 17 augustus 1950 de Indonesische eenheidsstaat uit, die tot op de dag van vandaag bestaat.