Schoolplaat 24. Maleisch dorp met drijvende huizen (West-Borneo)
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "24. Maleisch dorp met drijvende huizen (West-Borneo)" Linksonder: Kleynenberg & Co, Haarlem." Zicht op het rivierengebied met waterverkeer en dorpswoningen. Aan de oeverkant de drijvende woningen met kleine hutjes. Het gebied is omringd door palmbomen. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Prof. Dr. A.W. Nieuwenhuis: "Plaat 24 schildert op plastische wijze de woonplaats en het leven der Maleiers in de reusachtige, moerassige vlakten, die door de grootsche stroomen, o.a. van Soematra en Borneo, uit het gebergte in de ondiepe zeeĆ«n om deze eilanden zijn afgezet. Wel bedekken onafgebroken oerwouden ze in onafzienbare uitgestrektheid en geven daardoor onwillekeurig het denkbeeld van vastheid van den ondergrond, maar dichterbij de kust behoeft men er maar in te loopen, om te zien, dat alleen het ongemeen zware en wijdvertakte wortelstelsel deze moerasboomen in staat stelt, zich overeind te houden, omdat de modder zelfs aan den voet geen steunsel aanbiedt. Aan de oevers der groote rivieren en aan het strand verdwijnen dan ook deze vlakten ongemerkt onder de oppervlakte van het water. Het best blijkt dit nog uit den piantengroei, daar het bosch aan zee overgaat in zoutwaterplanten, de rhizophoren, en wat meer in brakwater de nipapalm met zijn stam onder water en daarachter dezelfde rhizophoren of eenige andere soorten hooge struiken optreden. Hoewel zulke landstreken, die jaarlijks eenige malen overstroomd worden, weinig voor woonplaatsen van menschen geschikt lijken, vestigen zich toch de Maleiers daar bij voorkeur. Meer nog dan vele andere volken van den Archipel schuwt de Maleier der heete laaglanden den regelmatigen arbeid, dien onafwijsbaren eisch voor het slagen van rijst- en anderen landbouw. Het meer afwisseling biedend leven van visscher, handelaar, zeevaarder en zeeschuimer (in vroeger tijd), verder in de binnenlanden ook wel dat van jager en boschproduktenzoeker is veel meer naar zijn aard en een tusschen vruchtboomen van velerlei soorten verborgen woning, waarbij de cocos- en de aren- met den sagopalm (meer in het Oosten) niet mogen ontbreken, is daarbij voor hem zijn hoogste wensch. De vrees voor zeeroovers heeft hem vanouds die kleine vestigingen, een eindweegs achter het hooge struikgewas en geboomte van den oever of in kleine kreeken, doen kiezen; een pad van naast en over elkaar liggende boomstammen in den moerasbodem voert dan naar een verborgen plaatsje aan de rivier, waar gebaad, gewasschen en water gehaald wordt en waar de kleine uit een boom gehouwen schuitjes half in de modder en de waterplanten schuil gaan. Onder de vaart op zulk een rivier verraadt dan ook weinig aan den oningewijde de aanwezigheid van menschen in dit door zijn overweldigend machtigen plantengroei en eenzaamheid zoo neerdrukkend werkend gebied. Eerst veel verder van de zee, maar toch ook nog in de moerassen liggen de hoofdsteden der Maleische kustrijken, als Pontianak, Matan, Sambas, Palembang, Djambi enz., de marktplaatsen voor de in zijriviertjes en kreken gevestigde bevolking. Daar brengt zij haar producten, die landbouw, visscherij, jacht en de boschcultuur haar opleverden, en verhandelt die tegen haar onmisbaar geworden invoerproducten uit hooger beschaafde streken als katoentjes, tabak, zout, snuisterijen enz. Het talrijkst zijn hier de handelaren vertegenwoordigd; onder hen wonen dan verder de met het vorstenhuis verwante adellijken, al naar hun welgesteldheid in fraaie, houten woningen of in even schamele als de groote massa van het volk. Zulk een centrurn is het hier afgebeelde Sambas, de hoofdplaats van het gelijknamig rijk aan de noord-westkust van Borneo. Als bijna immer hebben ook daar de Maleiers zich aan de samenvloeiing van twee rivieren, wier wegenloos stroomgebied zij als handelaren op die wijze beheerschen, gevestigd. Aan alle oevers strekken zich over meer dan een uur gaans lengte de tot afzonderlijhe dorpen vereenigde Maleische woningen uit. Ook op deze hoofdplaats vestigen de bewoners zich niet gaarne verder dan een 50 M. van de rivier en achter hunne huizen begint weet het oerbosch of hun schamele akker. Op eenige plaatsen liggen de huizen verder op vlotten de rivier in, dan de andere den oever op staan. Zelfs bij laag water is het wegens gebrek aan paden of opslag van struikgewas niet mogelijk over land van huis tot huis te komen; vandaar dat het verkeer bijna geheel op de rivier in kleine bootjes plaats heeft. Dit geeft aanleiding tot zulk eene levendigheid op den stroom, dat de ook hier door het volksgeloof beschermde krokodillen, die boven- en benedenstrooms krioelen, zich vooral overdag maar zelden tusschen de huizenrijen wagen. Toch baadt men ook hier niet gaarne in de open rivier, maar heeft daarvoor badhuisjes; slechts de kinderen zijn niet uit het water te houden en stoeien er van ās morgens tot ās avonds. Hebben de krokodillen zich aan eenigen van hen vergrepen of in de schemering een eenzaam roeienden man of vrouw uit de weinig boven het water uitstekende schuitjes gesleurd, dan vermannen zich ook de bijgeloovige Maleiers en gevoelen zich overtuigd, dat ten minste in deze watermonsters de zielen hunner voorouders niet hun intrek hebben genomen. Groote vallen van bamboe worden dan tusschen het struikgewas van den oever gebouwd, wilde zwijnen uit de tallooze, door het Mohammedaansche geloof beschermde kudden dezer dieren gedood en als lokaas erin gesleept; spoedig zijn er dan eenige dezer gepantserde reptielen achter de zware valdeuren geknipt en gedood. Aan het wraakgevoel is voldaan, maar op de menigte dezer waterbewoners der lndische lage streken heeft het weinig invloed. Voor een niet ver van de kust gelegen, bewoonde streek, waar in 't bijzonder de cocospalm zoo welig groeit, is deze plaats kenschetsend; talrijk, in verschillende hoogte, ouderdom en bladerdos steken deze nuttigste dier palmenfamilie hunne vederkronen in de hoogte en beschaduwen met velerlei andere vruchtboomen de hier op palen staande huizen. Deze zijn van houten stijlen en verder van palmbladmatten (als het eerste huis rechts) of wel geheel van hout (het 2e huis rechts) gebouwd; soms zijn de wanden van boomschors als bij de twee drijvende huizen rechts gemaakt. Zij bezitten alle een naar voren verlengd dak, dat zoo een open galerij, als het 2e rechts en het drijvende, of wel met eene omwanding voorziene woonruimte vormt. Ongeveer even hoog als de vloer der woningen op den wal voert een op dunne palen liggende houten steiger boven de modder der oevers en een eindweegs boven de rivier naar een van rondhouten gemaakte trap, die op een vlot met een badhuisje geleidt. Dat dient als aanlegplaats, dikwijls de eenige toegang tot het huis. Vooral rechts op de plaat rijen zich deze steigers en vele badhuisjes naast elkaar. Het verdient vermelding, dat onder deze badhuisjes ijzerhouten kooien in het water zijn aangebracht, waarin men gevaarloos baden kan. De links en rechts op de rivier liggende huizen behooren veeltijds aan kooplieden toe, die er hunne winkels drijven. De klanten komen dan van de rivier af met hunne bootjes aanleggen en vinden in de winkelruimte of op de galerij gelegenheid, om hunne verkoopen en inkoopen te bewerkstelligen. De hier zichtbare vaartuigjes geven de verscheidenheid in vormen weer, die op deze benedenrivier bestaan. Links aan het vlot en in het midden twee opene, beide bestaande uit een uit een boomstam gehouwen bodembootje, met planken aan spanten opgeboeid. Men roeit ze met pagaaien. Onderneemt men verre tochten of voor bescherming van persoon en goed tegen zon en regen, dan is een dakje met een bamboezen of lichthouten geraamte en een palmbladbedekking er spoedig opgezet. Voor dagreizen lange tochten geven de kleine vaartuigen. niet voldoende bergruimte en op de met stroomversnellingen voorziene bovenrivieren zijn zij geheel onbruikbaar. Daarvoor worden dan ook booten uit een enkelen boomstam gehouwen van 10-12 M. lengte. In de bovenstreken worden ze soms tot 23 Ć 24 M. lengte vervaardigd. De Maleische plaatsen aan de stroomen van Borneo en Soematra gelijken in dat alles veel op Sambas."