Interview Hank Heijn-Engel
Interview, afgenomen als onderdeel van het project "Het Jaar 2602" over de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in de periode 1942-1945. De transcriptie is als volgt: 00:00 Ik ben Hank Hein Engel, geboren op Sumatra, in Pematang Siantar. Maar daar woonden we helemaal niet, omdat we vele jaren in de Rimboe hebben gewoond. Ja, dat hield in dat ik daarom naar een internaat moest, op mijn zesde jaar. Maar in de Rimboe, dat was een en al ellende. Dat heb ik nooit leuk gevonden. En mijn broertje is zes jaar later geboren en toen ging ik naar het internaat. 00:28 Ik kan me niet meer zo goed herinneren hoe ik me voelde om naar het internaat te gaan. Toen ik op mijn zesde ging. Maar in wezen bleek al gauw dat ik het daar vreselijk vond. Want ik werd vreselijk mishandeld. We sliepen met vier meisjes in klamboe kamers. Je had je eigen klamboe kamer op zo'n zaaltje. En ik moest altijd wel eventjes naar het toilet ’s nachts. Maar als ik dan mijn klamboe kamer opende, ging er een belletje bij juffrouw Bohé, ik zal haar naam nooit vergeten. En dan was ze zo verschrikkelijk kwaad. En dan kreeg ik de volgende dag op mijn blote billen met een schoen. En ze begon steeds harder te slaan, had ik het gevoel. Maar van de zenuwen moest ik soms meerdere keren eruit ’s nachts. Alleen in de vakanties. De vakanties is het enige wat ik leuk gevonden heb in Indië. Dat was het Tobermeer, daar gingen we naartoe. Dat was fantastisch. Het Tobermeer heb ik hele leuke herinneringen aan. 01:22 Op een bepaald moment moesten we halsoverkop naar huis, want toen zat de oorlog eraan te komen. We hebben het nog maar net gehaald. En dus wij terug in de bus en toen kwamen we in Kajowaro aan. Toen hoorde ik al dat mijn vader, die officier was, moest opkomen. Hij ging naar Atjeh en daar heeft hij gevochten. Daar kwamen de Japanners al met vliegtuigen bombarderen. Ik heb één keer een bombardement meegemaakt, vond het hartstikke spannend. Je moest de schuilkelder in, met zo'n rubber ding in je mond. Als je nog nooit daarvan gehoord hebt en zoiets ineens meemaakt, dan vind je het natuurlijk spannend. En de eerste Japanners, ze waren er ineens. Ik dacht: jeetje, ik vond het allemaal wel spannend. Ik hoefde tenminste niet meer naar het internaat. 02:13 Ja, we hebben nog afscheid kunnen nemen van hem. In Padang. Toen zijn mijn moeder en ik, dat was even 300 kilometer met de auto. Niet niks. Ik was altijd doodberoerd in de auto. En we hebben nog afscheid kunnen nemen van mijn vader. Nou ja, toen heb ik hem voor het laatst gezien. Mijn moeder heeft jarenlang, of heel lang, niet geweten of hij nog in leven was. Hij is na Atjeh naar Burma gevoerd, naar Burma afgevoerd. 02:44 Ik was toen tien jaar. Ik vond dat helemaal niet erg. Ik dacht, wel gezellig zo met z'n allen. Moesten we eerst naar Soengei Penoeh. En alleen met moeders en kinderen die daar op Kajawara woonden. Dus we waren eerst met een klein gezelschap. En ik moest meteen heel hard werken. En ik voelde intuïtief aan dat ik dat moest doen. Veel schoonmaken en zo, zaaltjes, noem maar op. En mijn moeder moest in de keuken meteen werken. Die had daar de leiding. Maar we waren ook wel baldadig hoor. Want we zaten voor het eerst op een hurk wc. En nou ja, voel je wel wat er dan wel eens gebeurde. En als ze dan de moeder naar zo’n hurk wc gingen, dan renden wij naar zo'n slootje buiten. En dan gingen we kijken, gingen we naar de drolletjes tellen. Ik zag daar enorm de humor van in. Dus... Maar nogmaals, ik vond het dus niet erg om zo geïnterneerd te zijn. Kan je je voorstellen? Ik hoefde niet meer naar het internaat. 03:49 Je ging meteen in die open wagens, waar normaal inlanders in zaten, in die grobaks, zoals je ze noemt, werden we vervoerd. In de buitenlucht zo. En moeders hebben vreselijk na moeten denken wat ze allemaal mee wilden nemen. Want je wist ook niet wat je mee mocht nemen in het kamp. Dan mocht je ook alleen maar meenemen wat je kon dragen. Dat was dan alles wat je had. Dat moet voor die moeders iets vreselijks geweest zijn. Moeders met kleine kinderen bijvoorbeeld, dat konden die nou sjouwen. En dan moet je je even voorstellen, als je daar liep, er waren inlanders die hun eigen bazin daar zagen lopen. Van vroeger. En je zag ook hele dure huizen langs de kant van de weg, waar de jappen zo heerlijk, zo nonchalant naar ons stonden te kijken, zoals wij daar sjouwden. En daar kwamen we in een kamp waar uiteindelijk 2500 mensen waren. Dus het was heel wat. 04:45 Mijn moeder, mijn broertje en ik hebben een plaatsje gevonden. En dat was de uitlaat van de keuken. En er lag zo verschrikkelijk veel ongedierte in. Ratten, insecten, kakkerlakken, muizen. We hebben doeken voor onze mond gedaan. En we hebben alles weggehaald. Dat was meer dan verschrikkelijk. Maar wij waren veel te blij met dit privéplekje waar niemand ons lastig kon vallen. Nou, en dan kan ik me herinneren... we hadden geen wc. En je liep nog wel eens op checklegs, zoals dat heet... wat aan je voeten bungelt. Maar die waren bij mij kapot. Dus ik liep veel al op blote voeten. En dan deed ik mijn behoefte buiten. En dan gebeurde het wel eens dat ik met blote voeten in mijn eigen poep zat te kneteren. Stom te kneteren. Of in een andermans poep. En daar zag ik de humor van in. Maar dat heb ik later pas gezien... dat ik daar de humor van in zag. En ja, het was zo erg als alles was, weet je wel. Ik kon als kind toch nog echt om dingen lachen, hoor. We deden dingen stiekem. Maar het allerergste wat ik daarmee heb gemaakt, is de aardbeving geweest. Het is zoiets vreselijks geweest. Ineens hoorde ik een enorm gerommel. En ik hoorde ineens ongelooflijk schreeuwen van rennen, rennen, rennen naar open ruimte. Nou, ik ben gaan rennen. En nou ja, ik was nauwelijks buiten. Ik was buiten. En dan kwam de grond al naar me toe. Ging de grond naar me toe. Ging van me af. Kwam naar me toe. Ging van me af. En op een bepaald moment kwam er een scheur. En ik dacht... Jeetje, als ik maar niet in die scheur val. Het was verschrikkelijk. Het was zo angstaanjagend. Dit zit in mijn lichaam. Dat zal ik nooit vergeten. 06:37 We hebben dus een paar maanden in dat kamp gezeten en toen moesten we weer lopen, moesten we weer weg. Weer alles wat je dus kon dragen nam je mee en toen ging je de trein in. Die was potdicht, we wisten helemaal niet meer waar we naartoe gingen. En daarna gingen we door in die grobaks, in die open wagens, heel end rijden, kwamen midden in de rimboe terecht, in Bankinan. Daar hadden ze allemaal barakken gebouwd en daar kwamen wij met 2500 mensen aan. Dus je moest je eigen tandpadje, zoals je dat noemde, je eigen plaatsje uitzoeken waar je ging slapen. En nou ja, daar hebben we de laatste anderhalf jaar ongeveer nog gezeten. Dat was het vreselijkste kamp. Mijn moeder was zo vaak ziek, die lag veel in het hospitaaltje en die had enorme koeliewonden, hele grote wonden op haar been. En de darmen waren ontzettend slecht. Dus ik kookte er altijd. Ik zorgde voor mijn moeder en mijn broertje. Ik begrijp niet dat ze het overleefd heeft hoor, eigenlijk. 07:44 Ik weet dat het in andere kampen dus gebeurde. Maar wij hebben één... ik kan me herinneren van één keer... misschien dat het meerdere keren is gebeurd... dat we op appel moesten staan. Dat was verschrikkelijk zeg. Want er waren moeders die waren ziek... en dan zitten ze met die kleine kindjes. En ik zat alleen maar op te letten. En die moeders, hoe doen ze dat? Probeerde ik nog zo'n klein kindje te helpen. Ik kon er met mijn pet niet bij. Waarom we daar nou... Ik vond het zoiets stoms dat we daar... Hoe kon je dat nou? Nou, er waren ook zieke mensen. Hoe moesten ze dat nou allemaal tellen? Weet je wel? En dat is het enige wat ik mij nog kan herinneren. Wij hoefden niet altijd op appel te staan. Nee. Maar je moest wel altijd diep buigen... als de Jap langskwam. Ik ren soms als ik zo'n Jap hoorde... dan rende ik maar even weg. Omdat ik wist... mijn moeder heeft er zo'n hekel aan. Weet je wel, had ik ook zoiets in me. Ben je gek? Daar heb ik geen zin in. Maar de Japanners... Ja, die konden wel. Mijn moeder... die was een harde hoor. Die wou eigenlijk nooit buigen. En ik zat naast haar. En ze boog niet. En ze kreeg op haar donder. En ze kreeg me toch een klap in het gezicht... waar ik bij stond. Verschrikkelijk. Maar de moeders probeerden hun kinderen... natuurlijk altijd wel daar vandaan te houden. 08:58 Ik heb toen op een bepaald moment een bijl bemachtigd. En toen mocht ik buiten het kamp bomen kappen en sjouwen. En hoe zwaarder je sjouwde, hoe meer punten je kreeg. Daar kreeg je rijst voor. En ik had een zieke moeder. En mijn broertje is ook nog vreselijk ziek geworden. Dus voor mij was het heel belangrijk dat die bomen zwaar waren. Dat is niet te geloven. Ik was heel sterk. En wat ook wel fijn was, als je dan aan het houthakken was... en je sjouwde je boom, dan mocht je af en toe in de kali zwemmen. Nou, dat was iets voor mij. En dan doken we of sprongen van een dikke tak. Nou, dat zal ik nooit vergeten. Maar we hadden ook een hele enge Jap in het kamp. Blauwbaard noemden we hem. En mijn moeder zei altijd tegen mij... die houdt van kleine jongetjes. Nou, ik begreep er niks van. Nou, op een bepaald moment was ik weer een boom aan het kappen. Ik was helemaal alleen. En ik kijk achterom. En er staat die man. Met zijn enge glimlach. Nou, mijn hart stond zowat stil. Ik heb het op mijn rennen gezet. Moet je je voorstellen, blote voeten. Intussen heb je een heleboel eelt onder je voeten. In de rimboe rennen. En ik vond mijn leidster dus terug. En ik zorgde sindsdien dat ik altijd wel... in de buurt van de leidster bleef natuurlijk. En we moesten ook wel eens de mandiekamer schoonmaken. Met zo'n... met zo'n driehoekje. Een heel scherp driehoekje. En de algen uit de mandi-bak. En ik zal nooit vergeten. Een keer moest ik schoonmaken. En mijn krabber. Die driehoekkrabber. Valt in de mandi-bak. Ik bedenk me geen moment. Spring erin. Spring ik er bovenop. Heel gat in mijn rechtervoet. Ja, die bubbel heb ik nog. Echt iets weer voor mij. Ik heb in Indië ook vijf keer mijn armen gebroken. Toch kalkgebrek ook. Maar ik heb sterke botten. Dus het is allemaal goed geheeld. 10:49 Dat zou ik ook nooit vergeten. Er was een hele diepe put. En dan kon je dus water uithalen. Dan had je een emmertje met een lang touw eraan. En dan was het een sport om dat emmertje zo te gooien dat je het meeste water ophaalde. Dus dat deed ik wel graag. Maar het gebeurde ook wel eens, dat zou ik ook nooit vergeten... als ik dan net water aan het halen was, dan kwam de razzia. De poorten vlogen open en mijn moeder had geleerd... zodra je dat ziet, en die jappen komen binnen, dan ren je weg, dan ren je naar ons toe. Want dan komen ze meisjes halen. En er waren inderdaad wel meisjes die wel meegingen. Een paar, zo van 18 en 20 jaar. En in het eerste, nee, in het tweede kamp, kan ik me herinneren dat er op een bepaald moment een meisje weg was gehaald. Ik begreep er helemaal niks van. En die kwam de volgende avond terug. En die heeft zo verschrikkelijk gehuild... zo verschrikkelijk gehuild. Ja, ik weet niet meer. Mijn moeder kon dat tegen mij natuurlijk niet zeggen. Ik denk dat het mij alleen maar verteld is van ze is geslagen. Maar ze is verschrikkelijk verkracht. Nog een jong meisje. Maar ik begreep dat allemaal niet. En mijn moeder wou me dat ook niet vertellen. En ik kan me ook herinneren dat schuin tegenover onze barak daar waren twee meisjes, bloedmooie meisjes... van 20 jaar of zoiets, Indo. En dus half Indisch. En die gingen dan altijd naar de buurt. En toen kwamen er jappen toe. En mij kwam ter oren, ja, ik begreep daar niks van. Dat ze wel met die jappen naar bed gingen en zo. Ja, die dingen gebeurden. Ja, over die twee meisjes kan ik wat vertellen. Want toen de oorlog afgelopen was, mochten zij naar buiten het kamp. Ze zijn nooit teruggekeerd. Ze gingen familie opzoeken. Het was levensgevaarlijk. Want ze zijn verkracht en gechinchangd. Dat betekent in mootjes gehakt. Dat heeft zo'n indruk op me gemaakt. Verschrikkelijk. Die twee mooie meisjes... Die twee mooie meisjes. 12:47 We hadden tegenover ons een paar jongetjes en die moeten dan onder de tien geweest zijn... die waren zo handig in smokkelen. En dan kocht mijn moeder wel eens een banaan en dan deelden we een banaan door z'n drieën. En ik mocht al vrij gauw buiten het kamp chankelen, zoals dat heet. Dat is dan de grond omspitten. Ik moet erbij vertellen, ik liep altijd in een korenblauw badpakje, een gerimpeld badpakje. Daar had ik een bruin plooirokje overheen en ik leerde, als ik dan buiten aan het chankelen was, om kleine blaadjes te plukken van struikjes. Dat was dan vitamine. Want we kregen nooit vitamine natuurlijk. En dat verstopte ik onder mijn badpakje. En als ik dan het kamp weer inging, dan lag dat zo lekker in m'n kruis. Ja. Ik vond dat wel erg grappig altijd. Maar ja, dat was eigenlijk ook al vrij gauw op, hoor. En weet je, er werd steeds erger gesmokkeld. Omdat, ja, dat eten was erbarmelijk. Dat was echt verschrikkelijk. En al die mensen die daar dood gingen. Dus op een bepaald moment zei m'n moeder... had ze een heel oud onderjurkje. Dat ze dat nog had, is me nu nog een raadsel. Dat verstop ik in m'n badpakje. Ga weer hout sjouwen. Ga naar buiten. Op een bepaald moment ben ik alleen aan het houthakken. Een boom. En ineens springt er een inlander uit die struiken. Voor het smokkelen, hè. Hij had eerst natuurlijk goed gekeken of er niemand bij mij in de buurt stond. Dus ik begreep meteen, dat is nou zo'n smokkelman. Dus ik meteen dat onderjurkje tevoorschijn halen. En ik liet dat zien. En dan kwam hij met een grote plak bruine gula djawa. Daar maken ze dus suiker van. Waar de insecten, wespen, vliegen, allemaal nog in zitten. Maar ja, dat moest ik dus het kamp mee in smokkelen. Dus, wat doe ik? Ik breek het in verschillende stukken. Verstop het weer onder m'n badpakje. Nou ja, dan kan je je wel voorstellen wat er toen weer gebeurde. Ik moest zo voorzichtig lopen en dat zakte ook weer verschillende brokken zo in m'n kruis, hè. Ja, joh, ik kon slecht lopen. En ik heb toen geloof ik het geluk gehad, want het gebeurde wel eens dat je moest springen voordat je het kamp inging. Want als iemand dus smokkelwaar mee had en dat viel dus uit de kleren. Nou, die werd dan opgepakt en die moesten naar het hoofdkantoortje van Jappen. En daar werden ze flink afgeranseld. Ik zou je vertellen. Het was een delicatessen, die plak gula djawa. Je kan plak helemaal meteen opeten, hè, maar je moest zuinig zijn, moest je dus een paar dagen overdoen natuurlijk. 15:25 Mijn moeder kon ook, als ze dan uit het hospitaaltje was, haren knippen. Daar verdiende ze af en toe wat mee. En daar was ze heel handig in. En die kocht wel eens wat smokkelwaar. En als we jarig waren, mijn moeder spaarde altijd wat rijst op, dan gingen we een beetje luxe koken, daar kwam dan wat bij. Een beetje sambal. En dat had mijn moeder dan gekocht. Op de een of andere manier wisten ze dan wel snoep te vergaren. Maar je probeert natuurlijk altijd alles te vieren. Sinterklaas, en als de koningin jarig was of zoiets. En vooral verjaardagen waren natuurlijk heel belangrijk. Dan kwamen ze allemaal op visite. En ja, dat was het enige waar je wel eens iets gezelligheid uit haalde. En dan gezellig wat praten. Wat ik fantastisch vond als er de moesson er was, weet je, die vreselijke regenbuien. Als je onder die hele dikke stralen stond. Heerlijk, als het dan zo warm was. Dan werd je kletsnat, dat hindert niet. Dus dat was heerlijk. 16:27 Ik heb negen keer, mijn broertje ook, malaria gehad. Ik heb één keer dysenterie gehad. En daar ben je dood- en doodziek van. Dat zal ik ook nooit vergeten. En dan moet je nagaan, mijn moeder lag dan in het hospitaaltje soms. Ik heb altijd dus voor mijn moeder en mijn broertje gezorgd. En na de oorlog ook. Bij mij was alles omgekeerd. Gek hè, klinkt dat. Je moet het niet vergeten, mijn moeder was heel erg ziek hoor. En heel stiekem bracht ik haar wel eens eten. En in haar dagboek staat ook dat ze dat zo lief van me vond. En toen werd mijn broertje heel erg ziek. Die heeft op sterven gelegen. Vreselijk ziek. En hij was al helemaal apathisch. Hij wist niet beter dat hij dood zou gaan. En toen was er een non. En die wou hem bedienen. Nee, zegt mijn moeder, dat kan niet, want we zijn niet katholiek. En toen dacht mijn moeder, weet je wat? Dan ga ik hem dopen. Want mijn vader moet zichzelf dopen. Doopsgezind. Maar we gingen eigenlijk nooit naar de kerk hoor. En die nacht gebeurde een wonder. Hij werd beter. Het hele kamp sprak erover. We hebben nooit begrepen hoe dat ineens kon gebeuren. Hij was ineens beter. En dat dopen we niet. Het hele kamp heeft erover gesproken. Ja. Staat ook in mijn moeders boek. 17:46 De bevrijding kwam ineens. En het allereerste, hoe we dat merkten, kwam een Engelsman naar beneden. Een parachutist. Nou, we wisten niet wat ons overkwam. Nou, jongen, met groot gejuich en alles. En toen kwam Lady Mountbatten. Daar heb ik een foto van ook. Maar we kregen al vrij gauw te horen dat we toch niet buiten het kamp moesten. Het was levensgevaarlijk. Nou ja, en na een paar maanden mochten wij met vliegtuig naar Medan. En dan werden we eerst dus in een tehuis ondergebracht met verschillende families. Nou, ik kan me herinneren dat ik op het stenen aanrecht moest slapen. Dat was voor mij geen plaats meer. En we mochten niet buiten een bepaalde kom komen, omdat het heel gevaarlijk was. 18:36 Intussen hadden we gehoord dat mijn vader nog leefde. En toen mochten we heel chique in Hotel de Boer slapen. En nou, het was fantastisch. En ik herinner me nog dat toen mijn moeder zei tegen mijn broertje... van, kijk eens, daar is papa. Hij zei dus, dag meneer, zei mijn broertje. En mijn moeder zei, nee, dat is papa. Toen is hij zo gaan huilen en hard weggerend. Ja, ik kan me voorstellen, hij had zijn vader nooit meer gezien. En ik ging met mijn tiende jaar erin, dus ik kon mijn vader nog wel herinneren. En wij mochten daar chique in klamboekamers weer slapen. En we hadden ook klamboes. En wat wou ik op een bepaald moment? Ik wou een fiets hebben. Ik nam een klamboe mee, tegen mijn ouders niks gezegd. En ik ga de Dessa in. Ik wist wel natuurlijk dat het gevaarlijk was, maar ik ging toch. Ik ben van huis uit wel een doorzetter, dat zat er toen al in. Nou, en ik kom in zo’n smerig tokootje, die fietsen verkocht. Ik dacht, doodeng. En ik vroeg of ik een fiets mocht hebben, en dat zij die klamboe mocht hebben. Nou, zei ze, dat is goed, maar dan moet u de volgende dag terugkomen. Ik kom uit die toko. Ik denk, oh god, dat ziet er niet goed uit. Ik zag allemaal jongens. In no-time stonden ze met een kring om me heen. Begonnen ze me te betasten. En nou, er moeten engeltjes boven me gezweefd hebben, want ineens... deed ik dit. En ik zag een gat. Daar kroop ik onderdoor. Ik heb nog nooit van mijn leven zo hard gerend, denk ik. Ik was het hoekje om. Ik was vrij gauw in Hotel de Boer. En ik ren zo in de armen van een Engelsman. In mijn gebrekkige Engels vertel ik hem... dat ik die fiets wou hebben. Hij zegt, ik ga volgende dag met je mee. Hij is met me meegegaan de volgende dag, met de karabijn zo. Ik heb mijn fiets gekregen. Mijn fiets heeft niet langer dan een uur geleefd. Ik kwam onder een sado terecht. Met een paard ervoor. Met een fiets total loss. Dat gebeurde voor een Brits-Indische kazerne. Waar allemaal Brits-Indiërs dus waren. En die zagen dat gebeuren. Ik stond te trillen van de zenuwen. En een paar hebben me toen naar Hotel de Boer gebracht. Ik heb mijn vader en moeder nooit iets durven zeggen. Ik dacht nou, ik krijg toch op mijn duvel. Ik heb het altijd maar bij me gehouden. 21:00 Nou ja, na ettelijke maanden, ik geloof in februari, mochten wij naar Holland toe, op de Cicidane. Mijn vader kreeg de leiding op het schip. En nou ja, dat was een eindeloze tocht. Fantastisch. En er werd een jongen van 19 verliefd op mij. Die gaf mij een zoen. Ik ben zo geschrokken. Ik ben hard weggerend. Ik denk, nou krijg ik een kind. Ik ben naar mijn vader en moeder gerend. En die wisten eigenlijk onmiddellijk al wat er aan de gang was. Ik wist van niks, joh. En het is bij een zoen altijd gebleven, hoor. Maar hij was stapelgek op mij. Maar ja, weet je wat het is? Ik had nog geen figuur, niks. Ik was zo plat als een dubbeltje, niks. En ik zei wel eens tegen hem, ik had een andere vriendin, die had al een boezem en alles. Ik zei, waarom kijk je niet naar haar? Dus zei hij tegen mij, jij hebt tenminste pit in je donder. Ik hoorde het hem nog zeggen. En in Suez kregen we kleren. Ik vond ze afschuwelijk. En mijn moeder, we kregen ook een soort reisdeken. En daar heeft mijn moeder op het schip een jurk voor me gemaakt. Ik geloof dat ik hem nooit aan heb gehad. Afschuwelijk ding. Veel te warm. 22:10 Ik werd heel erg verwend in de Zaan door allerlei mensen. Wij waren de enige lui die uit Indië kwamen. En we kregen van iedereen kleren. En ik kreeg een paar schaatsen. Ik ging meteen schaatsen. Met oplage schoenen. En ze trokken me wel. Meteen tochten maken. En ja, prachtig vond ik het. Mijn vader donderde meteen in het water. En ik kreeg een fiets dus ook van mijn oma en mijn broertje. Die gingen ze even ook fietsen. Nou, die donderde een brug af. Ik wist niet hoe, die moest remmen op mijn fiets. En fiets weer total loss. We waren baldadig ook. En mijn broertje zal ik ook nooit vergeten. Die ging voor het eerst sleeën. Met zijn gezicht naar voren. Wist hij veel. Zo in de struiken. Helemaal open. Ik brak altijd mijn armen. En nou, ik vond het prachtig. En een douche bestond niet, weet je wel. Je moest je ook één keer in de week wassen. Je wassen in een teiltje met een beetje warm water. Wat je eerst moest koken in de keuken. Zo was dat vroeger. Maar ik vond alles prachtig. 23:09 Ik heb toch wel ontdekt dat Kamp, nou ja, het is allemaal niet voor niks geweest. Ik heb er heel veel van geleerd. Ja, ik heb leren overleven. Dat heb ik in alles. In alles heb ik weten overleven. Hoe erg het soms ook kan zijn. En dat vind ik toch wel het boeiende in het leven. Het hele leven is één leerproces. Heeft me heel sterk gemaakt. En dat was voor mij een openbaring. Dat je zo sterk soms kan worden van iets. Maar, ik moet erbij zeggen... ik leef heel gezond, ik eet heel gezond. Ik doe veel aan beweging. Want ik had zwaar rug patiënt kunnen worden, hebben ze mij verteld. Door het bomen sjouwen. Maar ja, toen was het vijftig jaar na dato dat Indië dus herdacht werd. Weet je wel, na de capitulatie. Toen kwam bij mij pas alles los. Toen ging ik één keer naar de televisie kijken. Toen heb ik zo liggen huilen. Nou, een jaar daarna stierf mijn vader. Toen ontdekte ik al die dagboeken van mijn moeder over de vier kampen. Heb ik uit laten werken. En toen kwam bij mij alles los. Ongelooflijk. En daarna ben ik me pas bewust geworden. Ja, dat ik altijd een heel positief denkend mens ben geweest. En altijd vooruit kijk. En veel gevoel voor humor heb. En alles wat op je pad komt, dat is niet voor niks. Ik heb dus uiteindelijk ook vergeven. En ik ontdekte, dat is zo goed voor mijn lichaam geweest. Ja, en ik ben nu 77 jaar. En ik voel me ijzersterk.