Schoolplaat 90. Goudsmeden in Atjeh
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader met de titel: "90. Goudsmeden in Atjeh." Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem." In een werkplaats zijn drie goudsmeden aan het werk. Eén bedient de blaasbalg, de tweede plet het goudplaatje en de derde weegt of graveert het goud. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Dr. A.W. Nieuwenhuis: "Plaat 90 heeft op de goudsmeedkunst betrekking, eene nijverheid, waarin de Inlander in hooge mate toont of getoond heeft, wat hij met geringe middelen onder gunstige omstandigheden vermag. Deze goudsmid oefent zijn beroep in Atjeh uit. In een land als Indië, waar in de inlandsche samenleving een rijke middelstand ontbreekt, daar kunnen alleen de weelderig levende vorsten en adellijken de goudsmidskunst steunen. Vandaar dat wij haar goed ontwikkeld vinden, waar de despotische Indische rijken bestaan of bestonden en dat zij met ondergang bedreigd wordt bij het verdwijnen van deze. Tegenwoordig vindt men nog een noemenswaardig goudsmidsbedrijf in Atjeh, de Padangsche Bovenlanden, de Vorstenlanden op Java, Bali en Lombok, Zuid-Celebes en in het Bandjarmasin'sche. In de gouvernementslanden op Java behoort de inlandsche goudsmeedkunst tot het verleden. In al die streken worden naar eigen stijl kunstwerken van goud- en zilverwerk vervaardigd. Uit het bovenstaande volgt wel, dat de goudsmid in den regel voor plaatselijk gebruik verkt en veeltijds op bestelling. Als zoovele andere Indische nijveren voorziet hij verder door den landbouw in zijn onderhoud. Het meeste goudsmidswerk bestaat in het maken van lijfsieraden, als spelden voor kleeding on kapsel, oorknoppen, vinger-, arm- en beenringen, knoopen, halskettingen enz. In het algemeen toont de Inlander hiervoor eene bijzondere voorliefde, die ook onder de lagere standen in hooge mate haar invloed doet gelden. Op Java bijv, beleggen de gewone Inlanders gaarne hunne spaarpenningen in gouden en zilveren lijfsieraden, met meer of minder kostbare steenen bezet. Voor rijke vorsten en hun adel worden ook wapens versierd, en gouden en zilveren schalen en doozen vervaardigd. De goudsmeden houden zich bezig met gieten, ciseleeren, drijven, filigranwerk maken, het zetten van edelgesteenten enz. Ook bij hen komt het veel voor, dat zij hunne zeer ingewikkelde, rijk versierde kunstwerken zonder voorbeeld en zonder voorafbewerkte modellen maken. Deze plaat brengt ons voor het eerst in de zoo armelijke werkplaatsen, waar de inlandsche nijveren hunne kostbaarheden maken. Een eenvoudige schuur, als hier van bamboo en rondhouten, met eene omwanding van palmbladmatten en daarbinnen het eenvoudigste gereedschap, dat zich denken laat. Als werkbanken doen hier links een paar kisten dienst, waarop een goudschaaltje en wat gereedschap, daarnaast een sigarenkistje als bergplaats; rechts een man, die met een blaasbalg, bestaande uit een ongelooide geitenhuid en een paar bamboes met aanzetstukken van klei, een houtskoolvuur in een ijzeren pan aanblaast. Deze blaasbalg is hoogst belangwekkend; zij vertegenwoordigt den meest oorspronkelijken vorm van dit werktuig. Zoo komt zij ook nog op Java bij de kopergieterij voor. Zulk een huid wordt met een opening van achteren in haar geheel afgestroopt en de openingen der pooten dichtgenaaid; in die van den hals komt de bamboe-afvoerbuis en de groote opening moet door den man bij het gebruik beurtelings geopend en gesloten worden, wanneer lucht opgenomen dan wel in het vuur geblazen wordt. Rechts daarvan staat een in de inlandsche wereld voor de verschillenste doeleinden, van dakbedekking tot watervat, gebruikt petroleumblik achter een ruw houten kist. Van de beide goudsmeden hamert de middelste een metaalplaat uit met een weinig verfijnden vorm van hamer op een aanbeeld, bestaande in een stuk boomstam, waarin een klein vierkant aanbeeldje is vastgezet. De ruwe slijpsteen op den voorgrond en het stuk bamboe met de langwerpige opening behooren goed in deze omgeving thuis. Als het ware in tegenstelling hiermede liggen daarbij prachtige gouden voorwerpen als de zoo karakteristieke Atjehsche ponjaard met gouden gevest. Het fijne werk, waarmede de linker man zich met behulp van zijn tangetje bezig houdt, valt moeilijk nader te bepalen; meer trekt onze aandacht, wat bovenop de groote kist gelegen is: links de scherp puntige oorknop, rechts een zoo eigenaardige en rijk gevormde knoop of ring als aan kleederen of aan schouderdoeken gedragen worden. Beneden op het sigarenkistje ziet men een van zilverdraad gevlochten, in het midden met een fraaien ring versierden, Atjehschen gordel, welks achterste helft uit losse kettingen bestaat. Belangwekkend zou het wezen, wanneer wij nog beter dan op deze plaat het uiterst eenvoudige gereedschap, dat deze menschen dikwijls zelf vervaardigen, zouden kunnen bekijken. Een denkbeeld daarvan geeft de grove goudbalans, die nog niet eens de eenvoudigste in zijn soort is. Het geheel hier drukt goed uit, met hoe weinig middelen deze Inlanders bewonderenswaardige zaken weten te maken."