Ga direct naar de content

Wayang in Commewijne, de Javaanse Surinamers

Van onze redactie, 06 augustus 2025Javanen vormen een belangrijke bevolkingsgroep in Suriname. Wat is het verhaal achter hun migratie? Op 9 augustus 1890 komt een eerste groep met Javaanse contractarbeiders aan in Paramaribo. Aan boord van “De Prins Willem II” zijn 94 mensen afkomstig van Java. Hun bestemming is Mariënburg, een suikerrietonderneming van de Nederlandse Handelsmaatschappij (NHM) in het district Commewijne. In totaal komen er tussen 1890 en 1939 bijna 33,000 mensen vanuit Nederlands-Indië (Indonesië) naar Suriname.

Na de slavernij

Op 1 juli 1863 (de facto op 1 juli 1873) wordt de slavernij in Suriname afgeschaft. Op de plantages in Suriname ontstaat een arbeidstekort. Na 1872 worden hiervoor contractarbeiders uit Brits-Indië (India en Pakistan) gehaald. Deze arbeiders blijven Brits onderdaan. Uit oogpunt van de ondernemers is dit een probleem, omdat de arbeiders kunnen klagen over de slechte arbeidsomstandigheden en in beroep kunnen gaan tegen beslissingen van Nederlandse instanties met steun van de Britse overheid.
Na een stevige lobby van Surinaamse planters onderzoekt het Nederlandse bestuur de mogelijkheid om contractarbeiders te halen uit de andere kolonie: Nederlands-Indië (Indonesië). Door de opening van het is de duur van het transport aanzienlijk verkort.
Als ‘proef’ komen er in 1890 bijna honderd contractarbeiders uit Java naar Suriname. Het wordt succesvol geacht en vanaf 1894 is de aanvoer van grote aantallen contractarbeiders vanuit Indonesië een feit. Het zijn voornamelijk Javanen, meer ook worden er kleinere groepen Sundanezen, Madurezen en arbeiders uit Sumatra geronseld voor het werk op de Surinaamse plantages.

Vertrek, reis en aankomst

De hebben verschillende redenen om te vertrekken. De levensomstandigheden op Java zijn slecht. Geregeld komen er hongersnoden en epidemieën voor. Bovendien spelen wervers een bedenkelijke rol. Ze worden betaald per geworven arbeider. Ze spiegelen de potentiële vertrekkers een vals beeld voor: de reis duurt niet lang, de arbeid is niet zwaar en men kan rijk worden in Suriname. Als het contract is getekend worden de arbeiders verzameld in Tanjungpriok, de haven van Batavia (Jakarta) en Semarang in zogenaamde depots.
De reis verloopt meestal in twee etappes: eerst naar Amsterdam en dan door naar Paramaribo. De Javanen komen terecht op verschillende plantages. De behuizing is slecht. Vaak krijgen ze onvoldoende loon, omdat de meeste ondernemingen slecht lopen en de lonen sluitpost van de begroting worden. Tijdens de duur van het contract vallen de arbeiders onder de wat inhoudt dat ze niet van de plantage af mogen en voor de kleinste vergrijpen hard worden gestraft.

De praktijk van de poenale sanctie

"Is de koelie vermoeid of ziek, dan gebeurt het wel dat de districtscommissaris, die tevens meest hulpofficier van justitie is, hem voor de politierechter daagt wegens 'onwil om te werken'. Verlaat hij de onderneming om even 'naast' te gaan en met een landgenoot over oude tijden en oud geluk te spreken, dan loopt hij kans op een vonnis wegens 'desertie'. Heeft hij door een ongelukkige houwerslag een koffieplant of bes beschadigd, dan wordt hem dat als vernieling van andermans eigendom aangerekend. En voor al deze delicten wordt hij gestraft met dwangarbeid voor korter of langer tijd, (...) terwijl hij tevens zijn recht verbeurt op repatriëring. Ach, menig Saïdjah zal zijn Adinda nooit weerzien!"

Javanen in het depot van de stoomvaartmaatschappij

Voordat de contractarbeiders op de verschillende plantages in Suriname worden geplaatst. verblijven ze in het depot van de stoomvaartmaatschappij De omstandigheden zijn er erbarmelijk. De Surinaamse fotograaf Julius Muller heeft een aantal Javanen bij het depot gefotografeerd (circa 1894).

Blijven of vertrekken

Na afloop van het contract kunnen de Javaanse arbeiders kiezen voor terugkeer of blijven in Suriname. De meesten blijven. Ze zien op tegen de lange terugreis, maar belangrijker, ze hebben niet de rijkdom vergaard die hen was voorgespiegeld bij vertrek en ze schamen zich daarvoor. Ze vrezen gezichtsverlies bij terugkomst bij hun familie en geboortedorp.
Toch vertrekken er na de Tweede Wereldoorlog Javaanse Surinamers naar het buitenland. De belangrijkste bestemmingen zijn Indonesië, Frans-Guyana en Nederland.
In Indonesië komen ze niet terecht op Java, maar op het eiland Sumatera. In 1954 wordt daar het dorp Tongar gesticht door de remigranten. Rond dezelfde tijd vertrekt een groep van zestig Javanen naar Frans Guyana. Ook tijdens de Binnenlandse Oorlog (1986-1992) vluchten Javanen naar het buurland. Een grotere groep Javanen komt rond de onafhankelijkheid van Suriname (1975) naar Nederland. Zij vestigen zich vooral in de provincie Groningen (Hoogezand-Sappemeer, Veendam, Delfzijl en de stad Groningen) en in de Randstad (Rotterdam, Den Haag, Zoetermeer, Amsterdam, Almere en Lelystad). Veel ouderen komen terecht in Sint Michielsgestel.


Taal, cultuur en religie

De Javanen in Suriname zijn er in geslaagd om hun cultuur (wayang, theater, dans. keuken…), taal (Surinaams-Javaans), en religie (Islam) te behouden.

Wayang

Javaanse Bami

Gamelan

Jaran Kepang (Paardendans)

Moskee in Meerzorg

"Javanen, 1949-1955"

Uit de fotocollectie Bruijning Suriname, ondergebracht in het Nationaal Archief te Den Haag

Gesprek tussen Guanita Moesa en haar man Robertino Somohardjo

Robertino en Guanita vertellen over hun familiegeschiedenis en hun leven als Javaanse Surinamers in Nederland.

“Wil je slagen in Nederland, dan moet je als een Nederlander denken, maar thuis zijn wij Javaan.”

- Robertino Somohardjo


Bekijk het gesprek

Beluister meer verhalen van Javanen uit Suriname in Nederland