Na de slavernij
Op 1 juli 1863 (de facto op 1 juli 1873) wordt de slavernij in Suriname afgeschaft. Op de plantages in Suriname ontstaat een arbeidstekort. Na 1872 worden hiervoor contractarbeiders uit Brits-Indië (India en Pakistan) gehaald. Deze arbeiders blijven Brits onderdaan. Uit oogpunt van de ondernemers is dit een probleem, omdat de arbeiders kunnen klagen over de slechte arbeidsomstandigheden en in beroep kunnen gaan tegen beslissingen van Nederlandse instanties met steun van de Britse overheid.
Na een stevige lobby van Surinaamse planters onderzoekt het Nederlandse bestuur de mogelijkheid om contractarbeiders te halen uit de andere kolonie: Nederlands-Indië (Indonesië). Door de opening van het is de duur van het transport aanzienlijk verkort.
Als ‘proef’ komen er in 1890 bijna honderd contractarbeiders uit Java naar Suriname. Het wordt succesvol geacht en vanaf 1894 is de aanvoer van grote aantallen contractarbeiders vanuit Indonesië een feit. Het zijn voornamelijk Javanen, meer ook worden er kleinere groepen Sundanezen, Madurezen en arbeiders uit Sumatra geronseld voor het werk op de Surinaamse plantages.


