Ga direct naar de content

Tante Coba uit Winterswijk

Door Ita Amahorseija en Emilie Escher, 24 juni 2026Alle Molukkers ter plaatse kennen Jacoba Taihuttu (95). 67 jaar geleden streek ze met haar man en kinderen neer in Kamp Vosseveld en ze heeft Winterswijk daarna nooit meer verlaten. Tante Coba is de enige van de eerste generatie Molukse KNIL-militairen in Winterswijk die nog in leven is en ze herinnert zich bijna alles.

Deze week maakte premier Jetten voor al het leed en onrecht dat de Molukse militairen en hun families is aangedaan. Het commentaar van die het allemaal meemaakte is kort maar krachtig. “Het is goed dat de overheid toegeeft dat ze verkeerd gehandeld hebben.”
Een paar maanden ervoor spreken we haar in het bijzijn van tweede zoon Jonas uitgebreid in haar verzorgingstehuis-appartement. Het hangt vol foto’s van haar twee overleden echtgenoten, haar zes kinderen, negen kleinkinderen en tien achterkleinkinderen. Daartussen hangt ook een replica van het meisje met de paarlen oorbel van Vermeer en pal daarnaast een fotoportret van Coba in dezelfde uitdossing. Haar huid bijna net zo glad en haar ogen net zo groot als het meisje. Ze kijkt goedmoedig en een beetje stout uit haar ogen. Het veelbewogen en zware leven dat ze heeft gehad is haar niet aan te zien.

We zijn toch geen Nederlanders

95 jaar geleden werd ze in Mojokerto, Java geboren als kind van een KNIL-sergeant en een Javaanse moeder. Haar vader – flink veel ouder dan haar moeder, hij had al eerder een gezin – stierf toen ze drie maanden was. Haar Javaanse moeder werd op haar dertiende door de Japanners meegenomen en kwam nooit meer terug. Ze werd in Malang opgevoed door de zuster van haar vader en naar een Nederlandse school gestuurd. Ze trouwt met Julianus Onaola, ziekenverzorger in het KNIL. ‘Een vriendelijke man.’ Ze krijgen een baby, Jozef. Op een dag komt haar echtgenoot thuis van werk met de mededeling ‘ga maar inpakken. We gaan over twee dagen naar de Molukken.’ De volgende dag kondigt hij een heel ander plan aan. ‘We gaan naar Nederland.’
‘Nederland, waarvoor?’ vraag ik. We zijn toch geen Nederlanders? ‘Ja, maar de president van Indonesië wil niet met onze mensen op de Molukken vechten, want wij zijn als militairen, goed getraind voor vechten en daarom moeten we weg uit Indonesië. En prins Bernhard heeft gezegd: dan moeten ze maar naar Nederland komen. Alleen voor twee maanden of zes maanden. Als de prins iets zegt dan doe je dat.’

Kleren wassen met zeewater

Halsoverkop neemt ze afscheid van haar zussen. Ze stapt vol tegenzin met man en baby op de , een Noors emigrantenschip. Behalve wat kleren neemt ze haar rantang mee, een pannenset die met een beugeltje aan elkaar wordt gehouden. En een matras. Het is de eerste keer dat ze op reis gaat en de zee ziet. De reis is lang en eentonig. ‘Geen andere schepen. Alleen maar blauw water. En een paar zeehonden en dolfijnen die naast de boot zwemmen. Dat was wel leuk.’ De mannen slapen in het ruim. Moeders met baby’s krijgen een hut. Coba deelt een hut met een jonge moeder plus baby uit een dorp op de Molukken. De twee wisselen wat kennis uit over hun dorpen maar vriendinnen worden ze niet. Af en toe komt haar echtgenoot langs in de hut om maaltijden te brengen. Dat eten was goed. De watervoorziening op het schip was minder goed geregeld. Ze moeten zich douchen en hun kleren wassen met zout water. Coba geeft de borst en komt haar hut eigenlijk nauwelijks uit.

Is dit een beha?

Een paar gebeurtenissen blijven haar bij. De tussenstop in Colombo, bij Sri Lanka. ‘Langs het schip varen koopmannen op prauw-schepen. Ik koop een paar schoenen voor mijn man. Bruin met wit. Hij vindt ze mooi.’ Er staat haar een ritueel van de bemanning voor de golf van Biskaje bij. ‘Allemaal in het zwart. En we moeten allemaal stil zijn. Ik heb aan de dominee gevraagd: waarom dan? ‘Ja, dat is de traditie van de zee. De golf van Biskaje is gevaarlijk. Daarom moeten de bemanning van de boot voor op de boot staan bidden en de zee eten geven.’ Er verschijnt een lachje op haar gezicht. ‘Ik zei: de zee kan toch niet eten. Alleen de vissen eten.’
En dan waren er nog de onbegrijpelijke kledingstukken die de vrouwen aan boord kregen uitgedeeld om zich te beschermen tegen de Hollandse kou. ‘Ik vroeg nog: wat is dit? Is dit een beha? Nee toch? Maar het is een ding voor de kousen. Een stukje met knopen. Maar wij waren dat niet gewend dus de vrouwen deden dat niet aan.’

Na Amersfoort, waar een medische check plaats vindt gaat de reis voor Coba door naar, ‘’, voormalig concentratiekamp Westerbork. Ze is een van de weinigen die behalve Maleis ook Nederlands spreekt en moet in de bus van alles aan de chauffeur vragen. ‘Waarom is alles kapot hier, willen ze weten. Ze weten niet dat Nederland ook een oorlog had meegemaakt. Toen vroegen ze, met wie is Nederland dan in oorlog? We kenden ook geen Duitsers.’
Schattenberg is verschrikkelijk. ‘Zo’n klein hokje en matrassen van stro. Ik zeg tegen mijn man. Leg maar op de grond, we gaan erop lopen. Zodat het fijn is.’ Het lekker zachte matras gevuld met kapok-vulling dat ze mee had genomen moet op de boot blijven. Ze weet dan nog niet dat Schattenberg een voormalig concentratiekamp was. ‘Later hebben ze ons dat verteld. Ik vond het een beetje eng.’
Het kamp brengt haar rampspoed. Als hij zeven maanden is sterft haar zoontje Jozef aan diarree. En hij is niet het enige kind. Nog hetzelfde jaar krijgt haar man een hartaanval en laat het leven.Ze stopt de schoenen die ze voor hem in Colombo kocht bij hem in de kist.

Gangmaker

Ondanks het diepe verdriet lukt het Coba een nieuw bestaan op te bouwen. Ze trouwt met Alexander Taihuttu, een KNIL-militair die ze nog kent van school in Malang en ze zullen zes kinderen krijgen, waarvan Jonas de tweede. Ze gaan wonen in voormalig interneringskamp voor collaborateurs kamp , waar voor de Molukkers speciaal stenen huizen worden gebouwd. Ze zijn een van de eerste bewoners en Coba mag kiezen waar ze gaat wonen, vlak bij de ingang wordt het. Haar zoon Jonas herinnert zich nog wat voor verschil het was. Hun houten tochtige barak in Westerbork, met een aantal andere barakken door brand verwoest en het nieuwe stenen huis met eigen keuken en een extra verdieping erop. De huizen blijken na een aantal jaren toch minder stabiel.

In 1968 wordt Vosseveld ontmanteld en verhuizen Coba en haar gezin en de meeste Molukse families in Vosseveld naar een gloednieuw huis in een Winterswijkse nieuwbouwwijk waar ze tussen de Nederlanders komen te wonen.
’Ik heb er veel Nederlandse kennissen gekregen’ zegt ze. Volgens Jonas is zijn moeder tijdens haar leven altijd overal de gangmaker geweest en is ze dat nog steeds af en toe. ‘Ook hier op de dagbesteding is ze echt heel populair.’

Bent u niet boos op Nederland? vragen we tenslotte aan Coba.
‘Nou boos…’ twijfelt ze. ‘Eerder spijt.’
Spijt dat ze zich zo gedwee hebben laten inschepen.Ze denkt veel aan de tijd voordat ze naar Nederland kwam. ‘Het meeste aan het schoolplein.’ En ze droomt vaak over haar tante. ‘In mijn dromen ziet ze er nog steeds uit als toen. Ze kijkt me alleen maar aan.’
Als je Coba vraagt wat haar het liefste is, Nederland, Java of de Molukken is het Java. ‘Je geboortegrond vergeet je nooit.’

In het najaar van 2026 zal Tante Coba de onthulling verrichten van het Moluks KNIL Monument in Winterswijk. De onthulling stond gepland op 27 juni 2026, maar is door extreme weersomstandigheden uitgesteld tot een nader te bepalen datum in het najaar.
Moluks KNIL-monument Winterswijk | 27 juni 2026


Familiefoto's van Tante Coba (Jacoba Taihuttu)

Jacoba als jong meisje in het midden omringd door haar familie op Java.

Jacoba kent Alexander Taihuttu (rechts in KNIL-uniform) nog van school in Malang.

Jacoba in Marum, in Groningen in 1952, waar ze tijdelijk woonde toen haar eerste man vlakbij in het ziekenhuis lag.

Jacoba omstreeks 1952.

Alexander Taihuttu in Schattenberg, kamp Westerbork.

Portretfoto Jacoba Taihuttu als jonge vrouw in Nederland.

portretfoto Alexander Taihuttu, de tweede man van Jacoba in Nederland.

Jopie en Jonas Taihuttu, de oudste twee zoons met kerst in Schattenberg, Westerbork.

Het gezin Taihuttu met dochter Loes met kerst in Schattenberg, Westerbork.

Kamp Vosseveld Winterswijk, o.a. Jopie, Jonas, Loesje en Bobby op stoel en in de sneeuw.

Dag van de belijdenis in de Molukse kerk van dochter Loes en zoon Jonas (midden), in de Abeelstraat in Winterswijk, rond 1975.