Deze week maakte premier Jetten voor al het leed en onrecht dat de Molukse militairen en hun families is aangedaan. Het commentaar van die het allemaal meemaakte is kort maar krachtig. “Het is goed dat de overheid toegeeft dat ze verkeerd gehandeld hebben.”
Een paar maanden ervoor spreken we haar in het bijzijn van tweede zoon Jonas uitgebreid in haar verzorgingstehuis-appartement. Het hangt vol foto’s van haar twee overleden echtgenoten, haar zes kinderen, negen kleinkinderen en tien achterkleinkinderen. Daartussen hangt ook een replica van het meisje met de paarlen oorbel van Vermeer en pal daarnaast een fotoportret van Coba in dezelfde uitdossing. Haar huid bijna net zo glad en haar ogen net zo groot als het meisje. Ze kijkt goedmoedig en een beetje stout uit haar ogen. Het veelbewogen en zware leven dat ze heeft gehad is haar niet aan te zien.
We zijn toch geen Nederlanders
95 jaar geleden werd ze in Mojokerto, Java geboren als kind van een KNIL-sergeant en een Javaanse moeder. Haar vader – flink veel ouder dan haar moeder, hij had al eerder een gezin – stierf toen ze drie maanden was. Haar Javaanse moeder werd op haar dertiende door de Japanners meegenomen en kwam nooit meer terug. Ze werd in Malang opgevoed door de zuster van haar vader en naar een Nederlandse school gestuurd. Ze trouwt met Julianus Onaola, ziekenverzorger in het KNIL. ‘Een vriendelijke man.’ Ze krijgen een baby, Jozef. Op een dag komt haar echtgenoot thuis van werk met de mededeling ‘ga maar inpakken. We gaan over twee dagen naar de Molukken.’ De volgende dag kondigt hij een heel ander plan aan. ‘We gaan naar Nederland.’
‘Nederland, waarvoor?’ vraag ik. We zijn toch geen Nederlanders? ‘Ja, maar de president van Indonesië wil niet met onze mensen op de Molukken vechten, want wij zijn als militairen, goed getraind voor vechten en daarom moeten we weg uit Indonesië. En prins Bernhard heeft gezegd: dan moeten ze maar naar Nederland komen. Alleen voor twee maanden of zes maanden. Als de prins iets zegt dan doe je dat.’


