Ga direct naar de content

Het Depot Speciale Troepen (DST) op Sulawesi

Door Zoë Saebu / Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), 18 september 2025Het Depot Speciale Troepen (DST) werd op 15 juni 1946 opgericht. Tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog zette het Nederlandse gezag deze commandotroepen in om met doelgerichte, vaak gewelddadige, acties de Nederlandse koloniale overheersing opnieuw te installeren. Van 5 december 1946 tot 4 maart 1947 opereerden 120 DST-militairen onder leiding van kapitein R.P.P. Westerling op Sulawesi. Hier voerden zij 40 militaire acties uit. Dit militair optreden maakte duizenden slachtoffers onder de bevolking en was zeer omstreden, vooral omdat DST-militairen Indonesiërs executeerden zonder vorm van proces. Het DST ging op 5 januari 1948 over in het Korps Speciale Troepen (KST).

De inzet van het DST op Sulawesi

In 1946 werd het als nieuwe eenheid samengesteld uit militairen van het en de Koninklijke Landmacht (KL). In november van hetzelfde jaar gaf de legercommandant, generaal , het DST de opdracht om het Nederlands koloniaal gezag te herstellen op Sulawesi. Dit eiland kent in 1946 veel geweldsuitbarstingen aan Indonesische en Nederlandse zijde. Op 5 december 1946 arriveerde het DST in de hoofdstad Makasar. De ondercommandant, onderluitenant had van tevoren informatie verzameld over het Indonesische verzet. Deze verkennende missie heette Operatie . Kapitein gebruikte vervolgens deze inlichtingen om te bepalen waar de militaire acties moesten plaatsvinden

Een speciale bevoegdheid?

Vanwege het toenemende geweld in 1946 kondigden de Nederlandse autoriteiten de Staat van Oorlog af in een aantal regio’s op Sulawesi Selatan. Dit gaf het Nederlands militaire en civiele bestuur meer bevoegdheid en mankracht om het Indonesische verzet te bestrijden. Ook het DST werd naar Sulawesi gestuurd. Kapitein Westerling ontving van de legercommandant geen expliciete instructies over hoe hij het verzet precies moest bestrijden. Wel moest hij verantwoording afleggen aan kolonel H.J. de Vries, de commandant van het gebied dat toen ‘Grote Oost en Borneo’ heette. Kapitein Westerling ontwikkelde een gewelddadige vorm van optreden: de zogenaamde methode-Westerling. Hierbij verzamelden de Nederlandse militairen de bevolking op een afgesproken plaats, waar Westerling bepaalde dorpelingen ondervroeg. Wanneer hij hen schuldig achtte, executeerde hij hen of liet hij hen executeren door DST-militairen. Het was (en is nog steeds) onduidelijk op grond waarvan hij iemand ‘schuldig’ achtte. Het veroordelen en executeren op gezag van één persoon is later bekend komen te staan als ‘het standrecht’ of ‘het noodrecht’. Dit kwam neer op het executeren van personen zonder vorm van proces, wat wettelijk verboden was. Toch gaven de Nederlandse autoriteiten deze bevoegdheid aan Westerling, omdat zij Westerlings’ handelswijze als noodzakelijk zagen en omdat het de gewenste uitwerking had: het afdwingen van het Nederlands gezag.

Extreem geweld

De methode-Westerling is later toegepast door andere actieleiders, zoals onderluitenant Vermeulen en KNIL-kapitein B.E. . Het is onduidelijk of deze commandanten bepaalde Indonesiërs ondervroegen (en executeerden) op basis van vooraf verkregen inlichtingen die erop wezen dat deze Indonesiërs bij het verzet zaten. Zeker is wel dat Nederlandse militairen de verzamelde Indonesiërs geregeld dwong, door hen met de dood te bedreigen, om verzetsstrijders aan te wijzen. Hierdoor zijn veel willekeurige slachtoffers gevallen. Ook vonden er grootschalige executies plaats zonder ondervraging, bijvoorbeeld tijdens de actie in op 1 februari 1947. Hierbij schoten Nederlandse militairen willekeurig op de verzamelde bevolking, waarbij zij honderden Indonesiërs doodden. Andere voorbeelden van extreem geweld zijn executies van gevangenen ‘ter voorbeeldstelling’ of gedwongen tweegevechten tussen Indonesiërs tot de dood erop volgde, zogenaamd om te bewijzen dat zij geen verzetsstrijder waren.

Tijdens een actie in Galung op 1 februari 1947 doodden Indonesische verzetsstrijders een aantal DST-militairen in de nabijgelegen dorpen Segeri en Baru, waarop onderluitenant Vermeulen poolshoogte nam in deze dorpen

“Toen de onderluitenant terugkwam sprong hij uit zijn jeep en schreeuwde met een harde stem ‘Mana kampong Segeri en Baroe? [Waar zijn de dorpen Segeri en Baroe?]’. Iemand wees hem klaarblijkelijk de kampongs aan en hij snelde daarop af, uitroepend ‘Semoea diboenoeh! [Allemaal vermoorden!]’ (…). Onmiddellijk begon hij tussen de mannen van Segeri en Baroe te schieten. Hij had een kort geweer met vele schoten erop. Hij maakte sproeibewegingen met zijn geweer en schoot maar. Onder dat schieten nog stonden vele mannen op en begonnen te vluchten. Ook andere mannen met rode dassen [Nederlandse militairen] begonnen te schieten op deze kampongs. Hij [onderluitenant Vermeulen] schoot er razend op los, de mannen die niet vluchtten zaten met hun gezichten tegen de grond gedrukt van angst.”

Poea Ingga Saling tijdens zijn verhoor op 5 mei 1949 met de raadsheer-commissaris bij het Hoog Militair Gerechtshof, luitenant-kolonel J.L. Paardekooper. Paardekooper deed in 1949, in opdracht van de Nederlandse regering, onderzoek naar het Nederlands militair optreden van januari 1947 op Sulawesi.

Verplaatsingen van het DST

Tijdens de eerste fase van zijn optreden op Sulawesi Selatan focuste het DST zich op de hoofdstad Makasar en de gebieden ten zuiden daarvan. De tweede fase begon in januari 1947, toen de helft van de 120 DST-militairen onder leiding van onderluitenant Vermeulen naar de noordelijke gebieden vertrok, de zogenoemde ‘troep twee’. De overige 60 DST-militairen bleven als ‘troep één’.onder commando van kapitein Westerling rondom Makasar opereren. Bij zijn vertrek ontving onderluitenant Vermeulen de bevoegdheid om zelfstandig Indonesiërs te veroordelen en executeren. Hoewel dit wettelijk niet was toegestaan, hadden andere KNIL-militairen deze bevoegdheid inmiddels ook gekregen. Tegen het eind van januari 1947 beschikten alle KNIL-officieren in de andere gebieden, waar het DST niet opereerde, over deze bevoegdheid. Op 1 februari 1947 werd het DST ‘troep twee’ op zijn beurt eveneens opgedeeld: in deze laatste fase opereerde een groep van 30 DST-militairen in West-Sulawesi, terwijl de overige 30 DST-militairen naar kabupaten Pinrang vertrokken. Deze laatstgenoemde groep stond onder commando van kapitein Rijborz en werkte nauw samen met het KNIL. Op 21 januari trokken de militaire autoriteiten het zogenoemde ‘standrecht’ in nadat zij diverse berichten hadden ontvangen over extreem geweld op Sulawesi Selatan. Twee weken later, op 4 maart 1947, vertrok het gehele DST naar Java.

De nasleep tot op heden.

Naar aanleiding van verontrustende berichten over het Nederlands militair optreden op Sulawesi Selatan stelden de Nederlandse autoriteiten op vier momenten een onderzoek in. Dat gebeurde twee keer tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, eerst in 1947 door een onderzoekscommissie onder voorzitterschap van de jurist K.L.J. Enthoven en daarna in 1949 door de raadsheer-commissaris bij het Hoog Militair Gerechtshof, luitenant-kolonel J.L. Paardekooper. Ook na de onafhankelijkheidsoorlog bleef de zogeheten ‘Zuid-Celebesaffaire’ aan het politieke geweten knagen. In 1954 presenteerden de juristen C. van Rij en W.H.J. Stam een rapport aan de regering dat voortbouwde op het onderzoek van Paardekooper. En in 1969 publiceerde de regering De Excessenota, nadat J.E. voor het eerst op openlijk over zijn ervaringen tijdens de onafhankelijkheidsoorlog had gesproken. Ondanks alle rapporten die het Nederlandse geweld aan het licht brachten, zijn de betrokken actieleiders nooit strafrechtelijk vervolgd. In 2011 oordeelde de rechtbank echter wel in een civielrechtelijke zaak dat de Nederlandse staat aansprakelijk was voor de massa-executies in op Java op 9 december 1947. Dit was de eerste keer dat de Nederlandse staat aansprakelijk werd gesteld voor koloniale misdaden. Inmiddels heeft de regering een civielrechtelijke regeling ingesteld. Echtgenoten en kinderen van slachtoffers van executies zonder vorm van proces door Nederlandse militairen kunnen een schadevergoeding ontvangen door een claim in te dienen. Dit geldt ook voor nabestaanden van slachtoffers van executies op Sulawesi Selatan. Toch blijft de vraag of op deze manier genoeg recht kan worden gedaan aan koloniaal onrecht.

In de zomer van 2013 bood de Nederlandse regering voor het eerst officieel excuses aan voor Nederlandse misdaden begaan op onder andere Sulawesi Selatan. Dit was naar aanleiding van de totstandkoming van een civielrechtelijke regeling voor echtgenoten van slachtoffers. Meer excuses zouden volgen.

“De Nederlandse regering is zich ervan bewust dat zij een bijzondere verantwoordelijkheid heeft voor Indonesische weduwen van slachtoffers van standrechtelijke executies zoals begaan door Nederlandse militairen in het toenmalige Zuid-Celebes en Rawahgedeh. Namens de Nederlandse regering bied ik excuses aan voor deze excessen”.

Tjeerd de Zwaan, Nederlandse ambassadeur in Indonesië, op 12 september 2013 in het Erasmushuis in Jakarta. In het publiek zaten familieleden van verschillende weduwen uit Sulawesi Selatan met wie de Nederlandse regering in 2013 een schikking had getroffen. De toespraak was in het Engels, de excuses zelf werden ook in het Indonesisch uitgesproken.