Ga direct naar de content

De onmisbare rol van vrouwen in de spionage voor de Indonesische Inlichtingenstrijd

Door Annechien Selimi–ten Brinke, SOAS University of London. Met medewerking van Ardy Almatsir , 04 maart 2026Ten tijde van de Revolutie speelden Indonesische vrouwen een fundamentele rol in de militaire informatievoorziening. Waar de deelname en rol van Indonesische vrouwen vooral wordt geassocieerd met ‘bijdragen’ aan het succes van de Indonesische Revolutie, zoals hun rol in gaarkeukens, medische verzorging, en andere logistieke vaardigheden, is er weinig bekend over de belangrijke rol van vrouwen in spionage, infiltratie, koeriersdiensten, en zelfs counter-intelligence, welke onmisbaar waren voor de strategie van het Indonesische leger en het verzet. Ook boden ze logistieke en medische ondersteuning voor strijders aan het front. Bovendien wordt hun betrokkenheid bij deze belangrijke rollen ten tijde van de Revolutie maar zelden onthuld. Doordat er in het Nederlands koloniaal archiefmateriaal hierover bijna niets te vinden is, is dit een van de ‘historical silences’ waardoor de stem van de Indonesische vrouw nagenoeg afwezig is. Indonesische bronnen met militaire verslaglegging van de Tentara Nasional Indonesia (TNI), welke ten tijde van de onafhankelijkheidsoorlog zijn buitgemaakt en in beslag zijn genomen door de NEFIS daarentegen vertellen een heel ander verhaal met archieven als bron van verzet en strijd voor rechtvaardigheid (‘Arsip sebagai sumber perlawanan dan perjuangan untuk keadilan’).

2021

‘Liberatory activation treats records not only as passive traces of the past, but seeks to dismantle the oppressive structure, connect to liberation struggle now, and enable new narratives and possiblities’

Caldwel

Na de Proklamasi

Op 30 september 1945, in navolging van de onafhankelijkheidsproclamatie van Sukarno op 17 augustus 1945, werd door de eerste Gouverneur van Noord-Sumatra, Teuku Mohammad Hassan, deze nieuwe realiteit aangekondigd in Medan. De Slag om Medan vond plaats na de aankomst van de geallieerde troepen op 9 oktober 1945. In deze situatie speelden vrouwenorganisaties en individuele vrouwen met verschillende achtergronden, zowel burgers als militairen, een actieve rol in de steun voor de strijd van de bevolking tegen de geallieerde troepen die probeerden de Nederlandse overheersing te herstellen. Al meteen vanaf het begin van de Revolutie werden vrouwen uit de naburige steden van Medan, zoals Pematang Siantar, Kabanjahé, Binjau, en Tebing Tinggi, opgeroepen om zich aan te sluiten bij vrouwendivisies, zoals de Barisan Srikandi (opgericht op 1 oktober 1945), waar ze werden ingezet voor diverse, maar zeer belangrijke functies binnen het Volksveiligheidsleger, de Tentara Kemanan Rakyat (TKR). Deze welke werd opgericht op 5 oktober 1945 en was de voorloper van de Tentara Rakyat Indonesia (TRI) in 1946, en tenslotte het latere Tentara Nasional Indonesia (1947). Ze werden getraind in het ‘verdedigen van de onafhankelijkheid’, zoals het gebruik en bedienen van wapens, verlenen van eerste hulp, koerierswerk, en spionage. Andere vrouwen van onder andere de Divisi Gajah (Divisie ‘Olifant’) werden, onder het bevel van Jacob Siregar en Saleh Umar, getraind in de methoden van de guerrilla oorlogsvoering in het corps Harimau Liar (‘Wilde Tijgers’) en Napindo Halilintar. Vooral Indonesische vrouwen die in de ‘Sectie Strategie’ zaten en als informanten fungeerden hadden een sleutelrol in de cruciale militaire en logistieke informatievoorziening voor de verdediging van de onafhankelijkheid.

Een van de vele vrouwelijke onbekende Indonesische Verzetshelden tijdens de Revolutie: Ibu Chadidjah Moenzil-Almatsir

Een van deze verzetsvrouwen van het eerste uur was Ibu Chadidjah Moenzil (wie in de Nederlandse tijd Ade werd genoemd) uit de hooglanden van Minangkabau in West-Sumatra. Terwijl er steeds meer overlevenden van de Indonesische Revolutie verdwijnen, voegt het aangrijpende verhaal van Ibu Chadidjah een gedetailleerd in Indonesisch geschreven, levendige, maar vooral vrouwelijke stem toe aan de herinneringen die de generatie van de Onafhankelijkheidsoorlog achterlaat. Zo zorgt ze ervoor dat de offers die zij brachten voor de vrijheid van het Nederlandse kolonialisme in Indonesië niet worden vergeten. Geboren in 1923 in Tanjung Pinang als het jongere nichtje van en in deze prestigieuze Minangkabause matrilineaire clan welke afkomstig is van Kota Gedang, genoot Chadidjah in haar jeugdjaren Nederlands onderwijs en voltooide ze haar studie lerares basisschool in Jakarta (Batavia). Hierdoor sprak ze vloeiend Nederlands, Maleis, Minangkabaus, en zelfs Ambonees, welke van cruciaal belang waren voor haar complexe en gevaarlijke opdracht. Haar oorlogservaringen over welke ze met een opvallende lichtvoetigheid en humor vertelt in haar memoires, benadrukken de belangrijke rol van vrouwen in de Revolutionaire geheime dienst in Noord-Sumatra. Ibu Chadidjah maakte korte metten met stereotyperingen van vrouwen tijdens de Revolutie. Zo kreeg ze een belangrijke rol toebedeeld in de ‘Seksi Siasat’/ ‘intelijen’ (Afdeling Strategie) bij de Divisi Gajah II om in de door Nederland bezette gebieden te infiltreren. Vanwege haar uiteenlopende rollen verschaft zij veel historische context door de herinneringen van haar verzetsactiviteiten, de strijd, maar ook over de sociale omstandigheden.

Koerier

Ibu Chadidjah had de opdracht om als koerier brieven met militaire inlichtingen, zoals de posities van de Koninklijke Landmacht (KL), het KNIL, en de Nederlanders geaffilieerde Poh An Tui in kaart te brengen en te transporteren. Aan haar was de gevaarlijke taak om deze informatie door de verschillende controle posten van de KL, KNIL, en de Poh An Tui te loodsen naar haar overste, Kapitein Jacob Loebis, in het militaire hoofdkwartier van de Divisi Gajah II welke onderdeel was van Divisie IV TKR in Pematang Siantar. Zelfs toen het Republikeinse leger in april 1946 het militaire hoofdkwartier door hevige gevechten in Medan en de komst van de 7 December Divisie naar Siantar en Berastagi moest verplaatsen, bleef Ibu Chadidjah in Medan om deze zware taak uit te voeren. Tegen vrouwen die direct of indirect deelnamen in het verzet tegen de Nederlandse koloniale macht, werd niet zelden zeer veel geweld gebruikt. Tegelijkertijd waren vrouwen die ‘als verdacht werden aangemerkt’, of anderzijds ongewapend waren ook vaak slachtoffer van Nederlands geweld.
Bovendien had ze de beschikking over een auto die haar in staat stelde om, eenmaal door de checkpoints in en rond Medan, via de kleine kampungs zoals Pancur Batu in de jungle richting Siantar te rijden.In deze kampungs in de jungle hielp ze de gevechtseenheden (Lasykar Rakyat) zoals het Volksfront te bevoorraden met goederen met goederen, maar ook te helpen met het verplaatsen van wapens, alvorens ze de militaire intelligence bij Kapitein Jacob Loebis, in Siantar bracht. Ook infiltreerde ze bij officieren en soldaten van het KNIL bij voedselmarkten en tijdens uitgaan op het prestigieuze centrum van Medan, Kesawan. Hier viel zij, als vrouw van de beter-gestelde klasse, en bovendien, mede door het feit dat zijde Nederlandse taal en cultuur machtig was, niet op. Daarnaast was er sprake van militair oriëntalisme welke (de capaciteiten van) Indonesische vrouwen in het algemeen onderschatte.

Kaart

Zo kon ze in kaart brengen welke wapens waar vandaan kwamen, de soort en hoeveelheid wapens, en waar ze gestationeerd waren aan Nederlandse zijde. Doordat ze het Nederlands vloeiend beheerste en ook haar kennis van de Nederlandse gewoonten en cultuur kon ze zich makkelijk manoeuvreren en werden haar activiteiten niet als verdacht gezien.
“Blijkbaar ging Sergeant van de KNIL de kaart halen die hij had gevonden. Ik was opgelucht en bedankte hem en God. [...] Ik herinnerde me de KL-, KNIL- en Poh An Tui-gebieden nog, en omdat ik bang was dat er iets zou gebeuren, gaf ik het diezelfde dag nog aan meneer Malik en meneer Adnan. Ze zouden de kaart, na hem eerst te hebben bekeken, naar Siantar sturen.”

In gevangenschap van de Nederlanders

Op 9 Januari 1947 werd Chadidjah, samen met Mevrouw Wingert (‘Mammie’) en haar dochter, Agnes Wingert, met wie zij gedurende haar gevaarlijke verzetsactiviteiten veelvuldig had samengewerkt, gearresteerd.
“In de woonkamer, de eetkamer, de keuken, en de badkamer, zaten wie weet hoeveel jonge KL- en KNIL-soldaten. ‘Goedemorgen Mevrouw, zei de KNIL-soldaat met een mix van verdriet en schaamte, u wordt gearresteerd maar u kunt nog lachen’ ”
Een inschatting hoeveel Indonesische vrouwen gevangen hebben gezeten en hun hoedanigheid in deze gevangenissen ten tijde van de onafhankelijkheidsoorlog valt nog veel te onderzoeken. Vast staat dat veel Indonesische vrouwen gevangen hebben gezeten als ‘politieke gevangenen’ in koloniale gevangenissen in de jaren 20 en 30 onder zeer moeilijke omstandigheden waar mishandeling structureel was.
Andere belangrijke vrouwelijke vocale antikoloniale activisten zoals en S.K. werden gevangengenomen in vrouwengevangenis Bulu in Semarang, Sitti Mangoppoh in Padang, West-Sumatra, en Opu Daeng Risaju in Zuid-Sulawesi omdat zij koloniale misstanden aan het licht brachten. Dit maakt ook juist de onthullingen van Ibu Chadidjah zo belangrijk, omdat het een waardevol inzicht geeft een onderbelichte geschiedenis.Daar Mevrouw en Agnes Wingert naar de gevangenis voor ‘buitenlanders’ (orang asing) werden gebracht, werd Chadidjah als politieke gevangene naar gevangenis voor ‘Inlanders’ aan de Sukamuliastraat gebracht.

Gelijkheid

Chadidjah liet ten aanzien van haar cipiers van Indonesische afkomst geen gras groeien over haar motto van eenheid, hard werk, en het goede proberen te doen welke de redenen waren waarom zij gevangen zat. Chadidajah was uniek vanwege haar kritische houding ten opzichte van de privileges van de elite. Haar deelname aan de TRI leidde ertoe dat ze kritiek uitte op verschillende vormen van overheersing, waaronder de feodale en racistische koloniale ideologie. De mogelijkheid ongelijkheid te claimen ontstond met de Revolutie;

“Ik zei, ik ben gearresteerd en word hier vastgehouden omdat ik voor jullie heb gevochten, ik heb het eigenlijk niet nodig, ik ging naar school met Nederlandse kinderen, speelde, at [met hen] en ga zo maar door, maar jullie staan ​​ver onder hen, als wij niet vechten voor onafhankelijkheid, dan zullen jullie kinderen en kleinkinderen zo blijven leven (de zogenaamde 'onderklasse kinderen'), maar als ons land onafhankelijk is, [en] niet langer gekoloniseerd [is], zullen mijn en jullie kinderen hetzelfde onderwijs en kansen krijgen, in feite voor alle Indonesische mensen.’

In de gevangenis werd Ibu Chadidjah 5 maanden lang iedere dag ondervraagd door Inspecteur de Haan waar haar afkomst niet onopgemerkt was gebleven;

“Waar heb je de kaart van de stad Medan vandaan, met de verdedigingsnotities van de KL, KNIL en Poh An Tui? [Inspecteur] De Haan liet me een stuk papier zien, dat ik aannam en las. Het bevatte de namen van Hj. Agus Salim, Amhar, Soetan Sjahrir, Meneer Mahadi en Amir Hamzah. Inspecteur De Haan vroeg: "Dit zijn uw ooms, toch?"

Door haar welgestelde afkomst werd aan Ibu Chadidjah werd de mogelijkheid aangeboden om in Nederlands te studeren in ruil voor informatie, een veelvuldig beproefde methode om medewerking aan de zo benodigde informatie van Indonesische gevangenen te kunnen verkrijgen. Maar Ibu Chadidjah weigerde pertinent om met de Nederlanders mee te werken en zich te compromitteren;
“Ik antwoordde: het hebben een eigen vlag, de rood-wit-blauwe vlag zal gestreken worden, [en] ingeruild [worden] voor rood-wit... na 350 jaar kolonisatie... landbouwproducten of wat dan ook zullen niet naar Nederland worden gebracht, om het IJsselmeer mee te dempen.”

Gevangen op Sabang

Nadat was gebleken dat Chadidjah niet bereid was tot medewerking noch gevoelig was voor persoonlijk gewin, werd Ibu Chadidjah op 9 juni 1947 verbannen naar het interneringskamp voor TNI-officieren en soldaten op het eiland , welke tijdens de Japanse bezetting als interneringskamp voor Europeanen functioneerde. Met de kennis dat in de jaren ‘20 en ‘30 vele vermeende communisten, nationalistische en politieke leiders, waar onder andere haar eigen ooms uit Kota Gedang, I.M.F. Salim en Soetan Sjahrir naar het zeer afgelegen werden verbannen, was de angst groot dat zij, als politieke gevangene, ook daar geïnterneerd zou worden. In het interneringskamp op het eiland Sabang was Chadidjah, samen met Mevrouw en Agnes Wingert, 11 maanden totaal op zichzelf aangewezen voor voedsel en overleving. Als gevolg van de besprekingen in 1948 – 1949, werden de drie, en ook als enige, geïnterneerde vrouwen vrijgelaten en per schip overgebracht naar de haven van Medan, Belawan, waarna zijn op eigen kracht en middelen terug moesten zien te komen naar hun woonplaats.

Broer en zus

Bevangen door verdriet en geschokt door het onrecht over Chadidjah’s gevangenneming, besloot haar jongere broer, Azhar Moenzil, bij het ‘Corps Armada IV’ van de Angetan Laut (Indonesische Marine) aan te sluiten; “Mijn oudere zus is gevangengenomen door Nederland, ik zal Nederland doden” waren een van zijn laatste uitingen alvorens de Slag om Pagelarang in Centraal Java die jonge Azhar, na drie intensieve dagen en nachten van gevechten, fataal werden op 18 juli 1949 tijdens de tweede Nederlandse Militaire Invasie (‘Operatie Kraai’), maar een paar maanden voor de officiële overdracht van de soevereiniteit aan Indonesië op 27 december 1949. Het lot van broer en zus werden verenigd doordat zij in het teken gestaan voor de strijd voor de vrijheid en gelijkheid in Indonesië.

Ibu Chadidjah is in 2001 officieel erkend als Veteraan en Nationale Heldin van de Republiek Indonesië voor haar buitengewone bijdrage voor de Indonesische onafhankelijkheids- en vrijheidsstrijd. Ze is op 21 juli 2008 gestorven in Jakarta, en ligt begraven op het Nationale Heldenbegraafplaats, Taman Makam Pahlawan Nasional Kalibata in Jakarta, waar niet ver van haar graf, ook haar ooms en zijn begraven (welke als eersten ter aarde zijn besteld in de Makam Pahlawan Nasional Kalibata). Ieder jaar, met de onafhankelijkheidsviering op 17 augustus, maar ook op 10 November op Hari Pahlawan (Dag der Nationale Helden) worden zij geëerd.

Annechien Selimi–ten Brinke is als onderzoeker verbonden aan SOAS, University of London. Dit verhaal is mede tot stand gekomen door de onmisbare hulp en toewijding van de heer Ardy Almatsir ten aanzien van contextualisering en gebruik van de primaire bronnen.

Nationale Heldenbegraafplaats, Taman Makam Pahlawan Nasional Kalibata in Jakarta