Schoolplaat 46. Robusta koffie (als tussenplanting bij Hevea Brasiliensis)
Haarlem, omstreeks 1912
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "46. Robusta - Koffie (Als tusschenplanting bij Hevea Brasiliensis)". Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” Zicht op een perceel met koffiestruiken. Op een open plek tussen de stuiken lopen twee planters. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Dr. J Dekker: "Cultures. Koffie Platen 45 en 46: Plaat 45 Liberia-kofl'ie. (Albizzia als schaduwboom). Plaat 46 Robusta-koffie. (Als tusschenplanting bij Hevea Brasiliensis). Het vaderland van den koffieheester is niet, zooals men gewoonlijk aanneemt, Arabië, maar het zuidelijke gedeelte van Abessinië. In Afrika zijn later trouwens verschillende koffiesoorten in het wild aangetroffen, waarover hier nog nader gesproken zal worden. In 1616 maakten de Hollanders in de havenplaats Mokka kennis met de koffie; van dien tijd dus dateert de Hollandsche kofliehandel. Het kweeken van het koffieleverend gewas begon eerst veel later, n.l. in 1696, toen op aandringen van den bekenden burgemeester van Amsterdam, NicoLaas Witsen, de eerste koflieplantjes naar Java werden overgebracht. Later werd uit Java een koffieplantje gezonden naar den Amsterdamschen hortus, de nakomelingen waarvan de oorsprong zijn geweest van den tegenwoordigen omvangrijken koffieteelt in Zuid-Amerika. Om de koffie te verkrijgen, is vrij wat arbeid noodig, zooals uit de volgende korte schets kan blijken. Men kiest voor de cultuur van dit gewas gewoonlijk de hellingen der vulkanen, dus een terrein, eenige honderden meters boven zeepeil. Men legt boontjes uit op zaadbedden, waar deze na zorgvuldig besproeien kiemen. Hebben de plantjes zich goed ontwikkeld, dan worden deze zorgvuldig met de wortels uitgegraven en overgebracht in den tuin, waar reeds plantgaten gereed zijn gemaakt en dikwijls van rneststoffen voorzien. Daar groeit de plant op en kan in vruchtbaren bodem een aanzienlijke hoogte bereiken. Gewoonlijk echter laat men haar zoo hoog niet komen, maar geeft haar door oordeelkundigen snoei den meest gewenschten vorm. Nu kan de koffieheester niet zooals de theeplant in de volle zon tot ontwikkeling homen; hij eischt een lichte schaduw, die dus kunstmatig in de tuinen moet aangebracht worden. Dit geschiedt door tusschen de koffieheesters boomen te planten met een niet al te dicht bladerdak, van welke boomen vroeger de „dadap" algemeen gebruikelijk was. Deze dadap wordt nu echter verlaten voor verschillende andere soorten, waarvan men er een op plaat 45 waarneemt, n.l. Albizzia moluccana; de dadap is nog te zien op plaat 46, waar duidelijk wordt, waarom de dadap verlaten is. Deze boom heeft n.l. veel last van ziekten en plagen, bijna geen enkel blad is geheel gaaf. Is de koffieplant goed tot ontwikkeling gekomen, dan ziet men hier en daar de bloemknoppen, in kransen geplaatst in de oksels der bladeren, tot ontwikkeling komen en nog eenigen tijd later vertoont de tuin een prachtig gezicht. Dan openen zich de duizenden witte, donzige sterren, de koffiebloemen, die de lucht met haren zoeten geur doordringen. Zeldzaam is de indruk, die zoo'n geurende, bloeiende koffietuin in de vroege morgenuren bij het doorwandelen maakt. Gaat alles naar wensch, dan ontwikkelen zich uit die bloemen de min of meer kogelronde bessen, waarin de boonen verscholen zijn, die het geurig genotmiddel moeten leveren. Bij het rijpen wordt de groene kleur der bessen steeds meer en meer vervangen door rood; de vruchten zwellen, tot ten slotte de stengels buigen onder den last en de kleur der bessen aanduidt dat de tijd voor den oost aangebroken is. Dan worden de bessen zorgvuldig geplukt en naar het zoogenoemde etablissement gebracht, om daar bereid te worden tot het marktproduct. Het sappige vruchtvleesch moet van de bessen worden verwijderd, want de zaden zijn het, die men hebben wil. Men doet dit met werktuigen (koffiepulpers), die het vruchtvleesch kneuzen en dus de zaden vrijmaken. Maar behalve door het eigenlijke vruchtvleesch is de koffieboon nog omsloten door een hoornachtige laag (de hoornschil) en daarbinnen door een perkamentachtig vlies, het zilvervlies. Beide moeten eveneens worden verwijderd; sedert een dertigtal jaren verscheept men echter ook zaden in hoornschil, die dan in Europa nog worden gepeld. Gewoonlijk komen uit een bes twee zaden, die dan aan de buitenzijde een gebogen oppervlak vertoonen en aan de zijde, waar zij tegen elkander kwamen, vlak zijn en daar een overlangsche gleuf bezitten. Somtijds is er maar een zaad in de vrucht, dat dan ongeveer den vorm heeft van een kleinen dadelpit en rondboon genoemd wordt. Voor wij nu verder gaan met de beschrijving van den weg, dien de boon doorloopt, voor deze in den koffiemolen te land komt, moet er nog iets anders worden medegedeeld. Evenmin als andere cultuurgewassen is de koffie vrijgebleven van ziekten, ja er was een tijd, dat een zeer gevreesde ziekte de geheele kofliecultuur op Java met ondergang bedreigde. Dit was de koffiebladziekte, waarbij een schimmel het blad aantastte en dit ten slotte doodde. Beroofd van zijn blad was de plant niet meer in staat, voedsel op te nemen uit de lucht, was de ademhaling gestoord, in een woord werd de produktie geschaad, tot minimale hoeveelheden teruggebracht. De plant, die bij het uitbreken van de koffiebladziekte in 1876 zoo van haar te lijden had, was de oorspronkelijk op Java ingevoerde (n.l. Coffea arabica). In dienzelfden tijd werd toen een forscher en krachtiger koffiesoort in cultuur genomen, n.l. C. liberica, de liberiakoflfie, zie Plaat 45, die zich inderdaad jaren lang minder gevoelig voor de bladziekte toonde en goede oogsten gaf, tot nu voor weinige jaren ook in dit gewas de ziekte in bedenkelijke mate optrad en men wanhoopte aan het welslagen van de koffieteelt op Java. Hierin is nu verandering gekomen door een derde type, de Robustakoffie (Plaat 46), die nu weder in alle opzichten voldoet aan de eischen van een loonend cultuurgewas. Door de schade geleerd, heeft men bovendien reeds nu reserve aangelegd van weer nieuwe koffiesoorten (meestal eveneens van Afrika ingevoerd), waaronder ook werkelijk veelbelovende cultuurgewassen zijn. De Robusta-koffie heeft nog een eigenaardige toepassing verkregen, die hier korte vermelding verdient. Men plant haar n.l. in jonge caoutchouctuinen tusschen de Hevea-boomen en verkrijgt daardoor reeds oogsten jaren voordat de caoutchouc-productie begint. Plaat 46 toont Robustakoflie in vrucht onder jonge Hevea, die nog lang niet geschikt is, om getapt te worden. Van vele caoutchouc-ondernemingen is de welvaart veroorzaakt door de tusschenplanting van deze koffiesoort. Doch wij moeten verder zien, wat er met de koffieboonen gebeurt. Deze worden in zakken verpakt en uitgevoerd. Zij komen dan bijv. te Rotterdam of Amsterdam aan en worden daar verhandeld. Deze boonen zijn dan lichtgroen van kleur, bezitten weinig geur en zijn in dien vorm ongeschikt voor het gebruik. Daartoe moeten zij eerst worden „gebrand", d.w.z. verhit, tot de kleur donkerbruin is geworden en de oppervlakte glanzend. Eerst bij dat branden ontwikkelt zich de gewilde geur, maar tevens een aantal stoffen, die een grooten invloed hebben op het menschelijk lichaam. Van huis uit bracht de boon trouwens reeds iets mede van groote opwekkende kracht, n.l. de coffeïne, die ook in het theeblad voorkomt1). In den laatsten tijd brengt men wel koffie in den handel, waaraan het grootste deel der coffeïne is onttrokken (zgnd. coffeïne-vrije koffie). De hooge prijs, die voor koffie nog steeds moet gevraagd worden, heeft natuurlijk dikwijls geprikkeld tot het zoeken naar surrogaten. Deze zijn dan ook niet uitgebleven (cichorei mouth-koffie enz.). Erger is echter, dat het product aan vele van vervalschingen blootstaat, vooral in gemalen vorm. De zekerste weg voor de verbruikers is dus, om ongebrande koffie te koopen en deze zelf verder te bereiden. Uit hetgeen hierboven medegedeeld is omtrent de schade aangericht door de koffiebladziekte, blijkt wel, dat de ontwikkeling van de koffiecultuur in Indië niet ongestoord kan verloopen. Dit is nog duidelijker aan te toonen door enkele getallen. In 1880 bracht Nederlandsch Oost-Indië ruim 1,5 millioen balen koffie van 60 K.G. voort, terwijl Zuid-Amerika (Brazilië) 4 millioen balen produceerde. Stelt men daarnaast de productie van 30 jaren later, dan bemerkt men een zeer groot onderscheid. Van de 19 millioen balen, die in 1910 de wereldproductie vormen, bracht Brazilië er 15,5 millioen voort en Nederlandsch-Indië 428,000. Tegenover een buitengewonen vooruitgang in Z.-Amerika staat dus een vrij stevige achteruitgang in Ned.-Indië, waaraan vooral de koffiebladziekte schuld heeft. Nu is de productie weer stijgende, maar met de verhooging van de kwantiteit is een achteruitgang in kwaliteit te constateeren. De grootere productie is n.l. veroorzaakt door de uitbreiding van de Robustateelt, en hoewel nu Robusta een goede koffiesoort is, staat deze bij Javakoffie (dus van de Coffea arabica) in kwaliteit achter. Eigenaardig is het, dat Brazilië hier terrein gewonnen heeft (men kent daar o.a. geen koffiebladziekte), terwijl bij de caoutchouc de naaste toekomst denkelijk een omgekeerd beeld zal geven, n.l. een opkomst van Indië ten koste van Z.-Amerika. 1) Deze coffeine is slechts in weinige planten aangetroffen en het merkwaardige is, dat al deze planten in hare omgeving door de bevolking als genotmiddel worden gebezigd, zoo bijv. de thee in China, de koffie in Afrika en Arabië, de kola in Afrika, de mate en guarana in Z.-Amerika."
- plantages,
- schoolplaten
- omstreeks 1912





