Ga direct naar de content

Schoolplaat 88. Handelswijk te Buitenzorg. West-Java

Bogor, omstreeks 1912

Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader met de titel: "88. Handelswijk te Buitenzorg. West-Java." Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem." Straatbeeld van een handelswijk. Links en rechts gebouwen met open winkels met schuin alopende daken. De handelswaren van bamboematerialen staan uitgestald voor de winkel. Op straat hebben voedselverkopers plaatsgenomen met hun draagbare winkeltjes. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Prof. J.F. Niermeyer: "Uit hoofdstuk Handel en Nijverheid: Handel en nijverheid verkeeren in de inlandsche samenlevingen in vergelijking met de Europeesche op een zeer laag standpunt van ontwikkeling, wanneer men daarbij op hun omvangrijkheid let. Op geringe uitzonderingen na kan men van den inlandschen handel slechts als kleinhandel, van de inlandsche industrie als kleinindustrie spreken. Ten opzichte van de bij de laatste tentoongespreide vaardigheid en kunstzin wekken de Inlanders daarentegen dikwijls in hooge mate onze bewondering op. Voor de komst der Europeanen (± 1500) bestonden er in deze eilandenwereld geheel andere handelsverhoudingen onder de Inlanders dan tegenwoordig; in dien Hindoetijd moet Java het groote handelscentrum geweest zijn, waar specerijen en sandelhout uit de Molukken, goud, diamant, bezoarsteenen uit Borneo, goud, peper en kamfer uit Soematra door inlandsche schepen gebracht en vervolgens naar Zuid-Azië en China uitgevoerd werden (zie II bladz. 136). Ten deele verhandelde men ze dan tot naar Europa, waardoor de Romeinen in het begin onzer jaartelling reeds van het bestaan dezer eilanden op de hoogte waren. Nog bij hunne eerste scheepstochten waren onze voorouders van den rijkdom en macht der havenkoningen op Java's noordkust getuigen en zij en andere Europeesche handelsvolken trachtten om strijd met hen handelsovereenkomsten te sluiten. In den loop der laatste eeuwen kwam er een geweldige ommekeer op dit gebied tot stand, daar zoowel de groot- als de tusschenhandel in de handen van Europeanen en van vreemde Oosterlingen, Chineezen, Arabieren en Voor-Indiërs, overgingen. Gelijk ik reeds bij plaat 85 schetste, waren het zoowel de inlandsche politieke verhoudingen op Java als de mededinging der Europeanen, die aan de scheepvaart der Javanen zulk een geweldigen knak toebrachten. De buitenlandsche groothandel en deze scheepvaart waren een, zoodat ook de eerste daarbij vernietigd werd. De Oost-Indische Compagnie, aanvankelijk naast de Engelschen, Portugeezen, Franschen en Denen, deed daarmede haar voordeel en vermeesterde den invoer van katoenen en zijden goederen uit Voor-Indië, opium uit China en koper uit Japan en den uitvoer van allerlei Indische voortbrengselen voor de Europeesche en Aziatische markten. De handelsbeweging op Java zelf tusschen de Inlanders en groothandelaren aan de kust onderging een ommekeer door de uitbreiding der staatkundige macht der Nederlanders. In de zelfstandige, inlandsche rijken werd den vreemdelingen als Portugeezen en Chineezen hoogstens tijdelijk gelegenheid gegeven, door hun grooter energie en meerdere handigheid zich bij den handel ten koste der Inlanders te verrijken. Onder Europeesch bewind genoten vooral de vreemdelingen evenveel bescherming als andere staatsburgers in plaats van de verregaand willekeurige afpersingen der inlandsche vorsten. Als gevolg van dien verdrongen zij de minder in den handel doorkneede en weelderiger levende Javanen uit den handel te land. In het overige Indië deden zich gelijke verschijnselen voor. Spreekt men nu van den inlandschen handel in Indië, dan treedt daarbij vooral op Java de kleinhandel op den voorgrond. Nog slechts Boegineezen, Makassaren en Madoereezen drijven dien op wat uitgebreider schaal. Onder de minder ontwikkelde volken treft men slechts weinig handel aan. Ieder gezin onder Dajaks, Toradja's, Alfoeren en Papoea's voorziet te zeer in eigen behoefte, om iets anders dan een geringen ruilhandel te doen opkomen. Nog het meest geeft daartoe aanleiding de invoer van vreemde waren, maar ook deze worden dan zonder geld met rijst, boschproducten enz. ingeruild. Het houden van markten op vastgestelde dagen en plaatsen vertegenwoordigt eene haogere ontwikkeling van den handel; de Bataks en de meeste Maleiers doen dat. Dan treedt ook het gebruik van geld, tegenwoordig bijna uitsluitend Nederlandsch-Indisch, op. Men vindt daar eetwaren, huishoudelijke voorwerpen, kleedingstoffen, landbouwwerktuigen, vee, sieraden enz. Speelt zich bij andere Indische volken voor beide seksen een gewichtig deel van het leven op die markt af, onder de Javanen doet zich daarbij, eigenaardig genoeg, vooral de vrouw gelden. Zij schijnt meer dan de man voor den handel geschikt te zijn en heeft daardoor dit gebied geheel ingenomen. Bij alle hoogere vormen van handel als het venten en den tusschenhandel op Java treden vreemde Oosterlingen als Chineezen, Arabieren en Voor-Indiërs zoozeer op den voorgrond, dat de Inlanders van slechts enkele streken een belangrijke rol daarbij behouden hebben. Plaat 88 biedt gelegenheid aan, zich in zulk eene omgeving van tusschenhandel te verplaatsen. Uit een der z.g. Chineesche wijken, waar de Chineezen behoudens uitzonderingen, bij elkaar moeten wonen, is het een straat, die aan beide zijden uit hunne winkels bestaat. Vooral op de aanzienlijker plaatsen, waar de Europeesche en Indo-Europeesche samenlevingen veel behoeften aan de Ineest verschillende waren hebben, vinden die hier bevrediging. Door zijne winkelnering en ambachten maakt de Chinees zich daar onmisbaar. Evenwel ook op de Buitenbezittingen wonen in zoogenaamde kampen, zeer talrijke Chineezen, zoo er van de soms nog woeste inboorlingen slechts boschproducten, eetbare vogelnestjes, rijst enz, valt in te ruilen en daartegen ingevoerde goederen als katoen, tabak, ijzer, versnaperingen en sieraden van geringe waarden van de hand te doen zijn. Op vele standplaatsen daar zou het zonder de nijvere, sobere Chineezen voor een Europeaan wegens gebrek aan het noodigste niet uit te houden zijn. Zooals de Chineezen die overal hebben, bestaan ook op deze plaat hunne winkels uit van voren geheel open ruimten, meer of minder met gordijnen van doek of houten staafjes afgesloten, waar in kasten, op banken of op den grond een menigte waren van allerlei soort uitgestald liggen. In de kleinere zaken komt die veelsoortigheid het meest voor; de belangrijkere bepalen zich tot kleedingstoffen, of tot metaalwaren enz. De kleinere bedrijven en ambachten als schoenmaker, kleermaker, meubelmaker behooren veeltijds ook tot hun gebied van werkzaamheid. Achter zijne winkelruimten liggen de huiskamers, keukens, voorraadsruimten, veelal heel wat te klein zonder voldoende licht en luchtverversching; bij de geringere Chineezen ook van zeer twijfelachtige reinheid. Met betrekking tot deze heerschen er onder de Chineezen nog zeer middeleeuwsche opvattingen en de gezondheidstoestand laat onder hen dan,ook nog wel eens te wenschen over. Een eigenaardig inlandsch middel van vervoer, namelijk de draagstok en manden voor den schouder kom op deze plaat bijzonder veel voor. Het blijkt hieruit, hoe 's morgens (de schaduwen zijn hier nog lang) de Inlanders hunne waren in kleine hoeveelheden bij de Chineezen komen aanbrengen, als bundels brandhout en vruchten, zoo als rechts, ook wel visch enz. Anderen zitten of staan bij hunne draagmanden, of zij op koopers wachten, zoodat hier een markt in 't klein gehouden wordt. Prof. Dr. A. W. Nieuwenhuis. Uit hoofdstuk stadsgezichten: Gelijk aan de kust de drie groote havensteden een afzonderlijk karakter vertoonen, zoo zijn er ook in het binnenland een drietal plaatsen, die van het gewone type afwijken: de residenties van den Gouverneur-generaal en die van de twee Javaansche vorsten, den soesoehoenan van Soerakarta en den sultan van Djokjakarta. Buitenzorg is wel een zeer oneigenlijke naam voor de residentie van den man, die het grootste eilandenrijk der aarde bestuurt, voor de stad, waar het centraalstation der regeering, de Algemeene Secretarie, is gevestigd. Beter verdiende de plaats dien naam, toen de gouverneur-generaal Van Imhoff haar stichtte, in het midden der 18e eeuw, als buitenverblijf voor zich en zijne opvolgers, hooger gelegen dan wat toenmaals daarvoor diende, het landhuis Weltevreden. Steeds hooger hebben de landvoogden de rust en de koelte gezocht; thans wordt in den warmsten tijd Buitenzorg verlaten voor het hoog op den Gedeh gelegen Tjipanas, dat Van Imhoff almede ontdekte. Buitenzorg ligt een zestigtal kilometers bezuiden Batavia, op 260 Meters hoogte tegen de benedenhelling van den Salak, den eersten vulkaankegel, waarmede de meeste Europeanen in Indië plegen kennis te maken; al blijft het gewoonlijk bij een kennismaking uit de verte, want bergklimmen is in Indië nog een ver van algemeene sport. Vermaard, en veelvuldig gekiekt, is het uitzicht op den kegel uit de ‘bergkamers’ van het Hotel Bellevue, waar voor het genieten van het fraaie panorama een toeslag op de kamerhuur berekend wordt. Wie dan op het middaguur in den drogen moeson voor het eerst op zijn veranda treedt, kan meenen, dat hij deze toeslag vergeefs betaalde; want van den berg is geen spoor te zien. Men heeft den indruk neer te zien op een vlakte, waarvan de achtergrond zich in nevel verliest. Heb echter geduld tot den volgenden morgen, en sta vroeg op; Wat trouwens in Indië vanzelf spreekt. Daar staat de berg voor u, vlak voor u, als een geweldig indrukwekkende, regelmatige kegel, een weinig afgeknot, met gekartelden kraterrand; volkomen scherp belijnd, als een donkerblauwe massa afgeteekend tegen de heldere morgenlucht. Maar lang zal dat niet duren; al kort na zonsopgang beginnen kleine wolkjes zich lostemaken van de nevels, die in de vlakte hangen, en tegen de hellingen op te kruipen. Zij worden steeds talrijker, steeds dichter en enkele uren later hebben ze zich vereenigd tot het ondoordringbaar wolkgordijn, dat tot den volgenden morgen den berg omhullen zal. Omtrent Buitenzorg van een drogen moeson te hooren spreken, zal verwondering wekken; men pleegt immerstezeggen, dat het te Buitenzorg alle dagen regent. Dat is inderdaad niet ver van de waarheid. Want terwijl de regenmeter gemiddeld 220 regendagen per jaar aanwijst - op zichzelf reeds een groot getal, dat op Java zelden overtroffen wordt -, gaat er in werkelijkheid bijna geen dag voorbij, waarop niet een weinig regen valt; maar een beetje ‘motregen’ (oedjan grimis), wordt door de regenmeters niet aangegeven. Motregens komen op sommige waarnemingsstations in Indië veel voor, op andere niet. Toch is er een betrekkelijk droge tijd te Buitenzorg, waarin de regenval meestal beperkt is tot den namiddag, bij het nagenoeg dagelijks losbarstend onweder. Na de onweersbui kan men dan gewoonlijk op helder weer rekenen en evenals in de morgenuren is er dan een heeriijk frissche atmosfeer. Aangenamer stadswandeling dan hier is dan moeilijk in Indië te vinden. Want Buitenzorg is allerliefst, en terwijl vele binnenplaatsen van Java tot vervelens toe elkaar gelijken, heeft het een zeer bijzonderen stempel. Niet alleen als ambtenaarstad, waardoor de lanen der Europeesche wijken er langer en talrijker zijn dan ergens in het binnenland, maar ook als plaats van den Plantentuin; want de tallooze vreemdlandige gewassen, die dezen tuin bevolken, sieren ook de erven der inwoners en behoeden de plaats voor het eentonige, dat de bekende wittepot-tuinen aan de meeste steden van Java geven; men ziet er overal frissche bloembedden, bonte heesters en sierlijke palmen. Het grootsche loofgewelf der wegen heeft Buitenzorg met andere kota's gemeen; bij het regenrijke klimaat geeft het dikwijls iets sombers aan de plaats, maar bij zonneschijn is het van een ongemeene fraaiheid. Van dit alles is niet het geringste te zien op plaat 88: Handelswijk te Buitenzorg. Dat is de Chineesche kamp, waar de berg-Soendaneezen hun waren komen verkoopen en de plaatselijke venters hun inkoopen doen. Was Buitenzorg aanvankelijk aIleen het zomerverblijf der landvoogden, sedert 1836 hebben deze er hun residentie. Wel werd de bestuurszetel in 1847 weder naar Batavia teruggebracht om er tot 1870 te blijven, maar ook in die jaren hielden de gouverneurs-generaal gewoonlijk te Buitenzorg verblijf. De Algemeene Secretarie werd pas in 1885 hierheen overgebracht. - Het aantal inwoners wordt op 33000 gesteld."

Type
schoolplaat
Onderdeel van
Oorlog, vrede en recht, Kolonialisme
Identificatie
200532
Trefwoorden
  • stadsgezichten,
  • straten,
  • schoolplaten
Materiaal
papier
Periode
  • omstreeks 1912
Locatie
Licentie
Erfgoedcollecties zijn meestal vanuit een Westers en koloniaal perspectief tot stand gekomen.