Schoolplaat 91. Het Smeden van Gongs. Java.
Jawa, omstreeks 1912
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "91. Het Smeden van Gongs. Java.” Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” In een smederij waar gongs worden gemaakt zijn inlanders aan het werk. Vier mannen zijn bezig een gesmede gongplaat met een hamer in vorm te slaan. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Dr. A.W. Nieuwenhuis: "Plaat 91 vertegenwoordigt eene nijverheid op Java, die door mededinging van buiten haar belang nog niet verloren heeft; namelijk het smeden van de voor Indië zoo kenmerkende gongs, koperen bekkens, die als muziekinstrumenten hetzij op zichzelf of in vereeniging met andere bij alle Indische volken in gebruik zijn. Zij worden uit een mengsel van koper en tin vervaardigd en wel op deze wijze, dat het metaal na de menging in een schijf gegoten wordt, die vervolgens door uithameren bij gloeihitte zijn vorm als gong en zijn toon verkrijgt. Eerst na het uitkloppen wordt hij door bijvijlen, pletten en af draaien nauwkeuriger gestemd en afgewerkt. Gaat men na, dat deze instrumenten juist afgestemd, als viertal of talrijker, gezamenlijk een welluidend onderdeel van den gamelan o.a. moeten vormen dan geeft dit een goed denkbeeld van deze fijn afgewerkte stukken. Het centrum dezer gongsmederij bestaat in Semarang, waar zoowel voor de Buitenbezittingen als voor Java gewerkt wordt; verder in de Vorstenlanden en op Bali. Midden op den achtergrond der plaat gloeit het hoog opgetaste houtskoolvuur, dat door de twee mannen links met blaasbalgen als op plaat 90 wordt aangehouden. In dit vuur moet de hurkende leider van de eigenlijke smeden rechts de door hem in de gewenschte stelling onder de neervallende hamers gehouden gong telkens weer verhitten. Zijn vier man smeden de gong langzamerhand uit met hamers, als er een midden op den voorgrond staat. Hoeveel er hierbij van goede samenwerking af hangt, spreekt wel vanzelf; zulke mannen werken dan ook geregeld samen en vinden hun bestaan geheel in deze nijverheid. Twee eenvoudige tangen voor het vasthouden van de gloeiende gong liggen in het midden; in het vuur een lange haak, om den gong erin te kunnen plaatsen. Achter het vuur zijn nog te onderscheiden een pyramidevormig pak houtskool en aan weerszijden daarvan aan de bovenzijde de licht uitgeholde gietvormen voor de metaalplaten. Deze laatste worden van elders verkregen en van klei, koemest en rijstzemelen vervaardigd. De geheele werkplaats, haar wanden en haar dak sluiten zich waardig aan bij die op plaat 90."
- gongs,
- schoolplaten
- omstreeks 1912





