Ga direct naar de content

Schoolplaat 99. De ontvezeling bij Manila-Hennep

Haarlem, omstreeks 1912

Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader met de titel: "99. De ontvezeling bij Manila-Hennep." Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem." In een open loods staan lange tafels waar machinaal manilahennep wordt ontvezeld in een sneldraaiende trommel met slaglijsten. De vezels worden te drogen gehangen over palen die bevestigd zijn aan de dakconstructie. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Dr. J. Dekker: "Wat zijn vezels? Ieder weet het, dat dit de lange fijne draden zijn, die wij opmerken als touw of weefsels uitgerafeld worden. Deze lange fijne draden zijn gewoonlijk van plantaardigen oorsprong; slechts zeer enkele (zijde en wol bijv.) zijn van dierlijke herkomst. Die plantaardige vezels nu vertoonen onderling een groot verschil in eigenschappen, die afhankelijk zijn van de plantensoort of het plantendeel, dat de vezels leverde. Legt men monsters van verschillende vezelstoffen naast elkander, dan zal dadelijk een onderscheid opvallen tusschen enkele zeer fijne soorten en een grooter aantal veel langere en grovere vezels. 1) Tot die fijnere soorten behoort o.a. de katoen, een bijzonder belangrijke vezel, die ook in Indië wordt gekweekt, en die in hoofdzaak dient als grondstof voor weefsels. Naast die fijnere vezels vallen de grovere touwvezels spoedig in het oog; er zijn er bij die meer dan twee meter lang worden (katoen slechts 2 à 4 c.M.), en zoo sterk zijn, dat zelfs een enkele draad met moeite stukgetrokken kan worden. De katoen nu, de voor ons nijvere Twente onontbeerlijke grondstof, komt hoofdzakelijk uit Amerika, maar wordt, als boven gezegd, sinds jaar en dag ook in Indië door de inlandsche bevolking gekweekt, gewoonlijk slechts voor eigen gebruik, maar in Palembang ook voor den uitvoer. Deze vezelstof wordt geleverd door een lage, gewoonlijk eenjarige plant, de katoenstruik, die ongeveer 4 maanden na het zaaien rijpe vruchten geeft. (Zie plaat 81.) In deze vruchten schuilt het waardevolle product, want zoodra de droge vruchtwand openspringt, puilt daaruit een wollige witte of lichtbruine massa, waarin de bruin-zwarte zaden schuilen. Die wollige massa blijkt een pakje katoenvezels te zijn, die als lange haren ingeplant zijn op de opperhuid van het katoenzaad. Na het oogsten en drogen worden zij machinaal van de zaden gescheiden, in balen geperst en naar de spinnerijen en weverijen gezonden, waar de vezel door vernuftig uitgedachte en fijn samengestelde machines wordt omgezet in de katoenen weefsels, waarvan jaarlijks millioenen meters worden vervaardigd. De kapok, die ons bekend is als vulstof voor matrassen en reddingsboeien, is evenals katoen een zaadhaar, dat gewonnen wordt uit de vruchten van den kapokboom, die allerwege op Java voorkomt en door zijn eigenaardigen vorm (plat uitgespreide takken in lagen boven elkander) bijzonder opvalt. Deze kapok onderscheidt zich van katoen door een veel geringere sterkte, waardoor de vezel ongeschikt is voor spinvezel. Gelukkig heeft deze vezel een groote veerkracht en een zeer hoog drijfvermogen, zoodat zij als vulmateriaal voor reddingsboeien en voor matrassen bij uitstek geschikt is. Een gewichtsdeel kapok kan met 45 maal zijn eigen gewicht belast worden, voor het zinkt; in de praktijk neemt men aan, dat het zeker 30 maal zijn eigen gewicht doet drijven. Zelfs een dagen lang verblijf in water vermindert dit drijfvermogen niet aanmerkelijk. Voor Java is de kapok een produkt niet zonder beteekenis; want jaarlijks worden circa 8000 ton kapok van dit eiland uitgevoerd. Grootendeels komt dan die kapok in Amsterdam, tot nu toe de belangrijkste kapokmarkt van de wereld. Tot deze fijnere vezeltypen behooren ook zijde, wol, plantenzijde, die echter mindere beteekenis hebben voor onze koloniën. Worden nu de katoen en kapok hoofdzakelijk gekweekt door de inlandsche bevolking, anders is dit met de grovere vezeltypen. Van deze is een tweetal op dit oogenblik van grooter belang dan alle andere, n.l. sisalhennep en manilahennep. De naam hennep duidt hier al aan, dat wij te doen hebben met grondstoffen voor de touwslagerij, maar wij moeten daaruit niet afleiden, dat deze vezels door dezelfde plant als de hennep geleverd worden. De gewone hennep is n.l. de vezel uit den bast van de hennepplant, die een geheel andere plaats in het plantenstelsel inneemt dan de moederplanten van deze beide vezels. De sisalhennep is de vezel, die tot een gehalte van circa 5 % kan voorkomen in het blad van verschillende Agave-soorten. Deze Agave's hebben vleezige, puntige bladen van ongeveer 1,5 M. lengte, waarin een groot aantal vezelstrengen evenwijdig met de bladrichting loopen. Een soortgelijke herkomst heeft de manila-hennep, die door een bijzondere pisangsoort (Musa textilis Née) wordt geleverd. Op deze vezel heeft plaat No. 99 betrekking. Men ziet daar lange, licht gekromde banden, waaruit door de machines de vezel wordt afgescheiden. Deze banden zijn de bladscheeden, die bij de pisang zeer lang zijn en van den bodem uit rechtop gaan en aldus den schijnstam vormen, waarop de bijzonder groote bladen ingeplant zijn, zooals men aan de sier-Musa's in onze parken kan waarnemen. Die schijnstam blijkt te bestaan uit een groot aantal dier bladscheeden, die als halve holle cylinders om elkaar sluiten. Is de plant rijp om geoogst te worden, dan is zij gewoonlijk verscheidene meters hoog. De schijnstam wordt dan naar de fabriek gebracht, aldaar worden de bladscheeden eraf gepeld en deze ‘ontvezeld’. Dit ontvezelen geschiedt door een machine, waarvan het belangrijkste deel bestaat uit een sneldraaiende trommel met slaglijsten, die het moesachtige weefsel tusschen de vezels uitslaan en zoo de vezels doen overblijven. 2) Op de plaat is zoo'n trommel met de daarop aangebrachte lijsten duidelijk te zien en ook de zeer lange vezels die uit den pisangstam gewonnen zijn (de eetbare pisangsoorten bevatten te weinig vezel, om geëxploiteerd te kunnen worden). De vezel wordt na droging geperst en verzonden naar de afzetgebieden, waar zij dienen als grondstof voor de touwslagerij. Uit de manila-hennep worden dan de hooggewaardeerde scheepstrossen vervaardigd, terwijl millioenen K.G. sisal-hennep elk jaar noodig zijn voor de vervaardiging van een garensoort, noodig voor het opbinden der schoven bij de enorme graanoogsten van N.-Amerika (‘binder-twine’). Deze beide vezels zijn eerst betrekkelijk kort geleden van beteekenis geworden als cultuurgewas op Europeesche ondernemingen; maar vooral sisalhennep belooft in de naaste toekomst een belangrijk uitvoerprodukt te worden. Naast de hier in het kort besproken vezels zijn er een groot aantal andere van meer of minder belang; men kan het aantal bekende vezelleverende planten op circa duizend stellen, een beeld waarvan gegeven wordt in den Beschrijvenden Catalogus van het Kol. Mus., waarvan een nieuwe druk in bewerking is. Men vindt daarin beschreven rameh, jute, kokos-vezel (waaruit de bekende matten en tapijten worden geweven) en daarnaast ook grondstoffen voor het vlechtwerk zooals bamboe en rotan, lontar en pandan. De veelzijdige toepassing van vezelstoffen bij het vervaardigen van gebruiksvoorwerpen kan men het best waarnemen bij een bezoek aan het Koloniaal Museum. 1) Verschillende vezeltypen uit de Nederlandsche koloniëën treft men aan in de schoolverzamelingen van het Koloniaal Museum te Haarlem. 2) Men kan deze bereidingswijze brandnetel zoo lang met een bot te schrapen, tot de vezels als zuiver witte draden overblijven."

Type
schoolplaat
Onderdeel van
Oorlog, vrede en recht, Kolonialisme
Identificatie
200529
Trefwoorden
  • werkplaatsen,
  • schoolplaten
Materiaal
hennep
Periode
  • omstreeks 1912
Licentie
Erfgoedcollecties zijn meestal vanuit een Westers en koloniaal perspectief tot stand gekomen.