Een schoolplaat met een foto met een groepsportret aan het hof van de sultan van Kutai.
Yogyakarta
Een schoolplaat met een foto met een groepsportret aan het hof van de sultan van Kutai. Onderaan staat: "Kleynenberg & Co, Haarlem 129. De Sultan van Koetei en Zijne Rijkssieraden. Borneo". Op de achterkant een foto van een rechtbankzitting in de kraton van de sultan van Yogyakarta met daaronder: "Kleynenberg & Co, Haarlem 128. Sultansrechtbank te Djokjakarta. Java". Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende teksten bij deze afbeeldingen zijn van Prof. dr. A.W. Nieuwenhuis: "Plaat 128. Hoewel deze voorstelling echt Indisch is, kan men gelukkigerwijze niet zeggen, dat zij van de toestanden bij het rechtswezen in onze koloniën een goed denkbeeld geeft. Gelukkigerwijze, want onder de misstanden in de inlandsche rijken, die wel het eerst voorziening eischten, waren zeker die bij de daar in zwang zijnde rechtspleging. Vooreerst werden daar de doodstraf en verminking toegepast, ook voor vergrijpen, die in ons oog tot zulk een strengheid geen aanleiding mochten geven. Verder deed de groote afstand tusschen den adel en het volk zich bij het beslechten van geschillen hoogst ongewenscht gevoelen, zoodat de eersten bij overtredingen, vooral tegenover den kleinen man, ongeveer straffeloos waren, de laatsten daarentegen rechtloos of bij het berechten onderworpen aan eene ergelijke uitbuiting. Het optreden als rechter behoorde dan ook tot de gewichtige bronnen van inkomsten der inlandsche grooten. Zeker is het, dat in het tijdperk onzer staatkundige overheersching van Indië de eerste pogingen der regeering, om verbetering in de inwendige toestanden dier rijken te brengen, op het rechswezen gericht waren. Eerst is het een ambtenaar van Binnenlandsch Bestuur, in wiens tegenwoordigheid recht gesproken wordt, later neemt hij bij sommige rechtbanken het voorzitterschap waar en zoodra de macht en de invloed daarvoor toereikend geworden zijn, tracht men de onzedelijke praktijken en de zware inlandsche straffen tot hare kleinste afmetingen terug te brengen. Nu heeft men in het gouvernementsgebied op Java en Madoera en op de Buitenbezittingen eene rechtspleging naar Europeesche beginselen ingevoerd. Al vestigt dit de overtuiging daarbij humaner en naar moderne beginselen te werk te gaan, toch stuit men op zeer groote moeilijkheden. Ons recht, dat uit onze levensomstandigheden en persoonlijkheid is voortgekomen, blijkt aan Indische toestanden weinig te zijn aangepast; met de inlandsche opvattingen en gewoonten komt het veeltijds in strijd en de betrokkenen gevoelen zich door zulk eene berechting allerminst bevredigd. Men zou dus het liefst de inlandsche rechtsgewoonten moeten gebruiken, ware het niet, dat eerst in den laatsten tijd door bevoegde personen een meer diepgaande studie van deze rechtsverhoudingen, die onder ieder volk weer op andere leest geschoeid zijn, worden gemaakt. Zijn de grondvormen daarvan bekend, dan blijken zij in bijzonderheden niet altijd door te voeren, vooral niet nu door de economische ontwikkeling van veel streken in Indië nieuwe toestanden, ook op rechtsgebied, voorziening eischen. Voor de Europeanen en met hen gelijkgestelden wordt in, Indië volgens wetboeken rechtgesproken, die naar Europeesch recht vervaardigd zijn. Bij de rechtspraak over Inlanders moeten worden toegepast hunne godsdienstige wetten, instellingen en gebruiken, voor zoover die niet in strijd zijn met algemeene erkende beginselen van rechtvaardigheid. De rechtspleging wordt zoowel voor Europeanen, als voor Inlanders, en vreemde oosterlingen door in Nederland opgeleide meesters in de rechten uitgeoefend; in de lagere rechtbanken daarin bijgestaan door ambtenaren van Binnenlandsch Bestuur en inlandsche bijzitters en adviseurs. Tegenwoordig worden ook inlandsche rechtskundigen opgeleid. In meer afgelegen streken is de inlandsche bevolking gelaten in het genot harer eigene rechtspleging, zonder dat evenwel het toepassen van wreede straffen enz. wordt toegestaan. In verband met deze plaat en om wat nader aan te geven, hoe vroeg reeds werd ingezien, dat vooral de inlandsche rechtstoestanden verbetering behoefden, moge iets vermeld worden omtrent de wijze, waarop de Djokja'sche rechtspraak bijna geheel in Europeesche handen is overgegaan. Ondanks haar grondbeginsel, zich buiten financieele aangelegenheden zoo weinig mogelijk met de inlandsche toestanden te bemoeien, wist de Oost-Indische Compagnie reeds in 1737 door een contract te bewerken, dat het rechtswezen in het Mataramsche rijk, speciaal de crimineele rechtspraak, werd hervormd. Zeker ook onder den invloed van de Compagnie zijn sedert herhaalde malen hervormingen ondernomen, vooral in 1771, toen men in hoofdzaak wetboeken samenstelde, waarnaar in het rijk recht gesproken zou moeten worden. In 1818 volgde voor de Vorstenlanden eene nieuwe rechtsregeling, waarbij in 't bijzonder de toen nieuwe landelijke verhoudingen met betrekking tot den landverhuur aan Europeanen vastgelegd werden. Na afloop van den Java-oorlog voerde men in 1831 vooral in Djokja, ten deele ook in Solo, een ingrijpende rechtshervorming in; zoowel justitie als politie werden door het Indisch Gouvernement krachtig aangepakt. Voor het eerst kregen toen Europeesche rechters een beslissenden invloed: de resident werd voorzitter van een rechtbank voor crimineele zaken van Inlanders; voor alle Europeanen en gouvernementsonderdanen stichtte men een rechtbank zoowel voor civiele als crimineele zaken. Alleen prinsen en princessen van zeer hoogen rang konden niet voor de eerste rechtbank gebracht worden. Nog datzelfde jaar volgde de eerste politioneele regeling voor Djokja's platteland, die echter later in 't vergeetboek geraakte. De agrarische rechtspraak, dus in landverhuurkwesties bijv., bleef daarnaast bestaan. Toen in 1893 de tegenwoordige soesoehoenan van Solo zijn vader opvolgde, verbond zich de jonge vorst, de regelingen van het Gouvernement in zake politie en justitie en van de rechtspraak, zoowel in politioneele als crimineele en civiele zaken in zijn rijk toe te laten. Hierdoor was de Indische Regeering vrij het rechtswezen geheel als in haar direct bestuurd gebied te regelen; zoo werd het dan ook in 1903 ingevoerd. Daar in Djokja de sultan zijn civiele rechtspraak buiten de bemoeiing van het Gouvernement had weten to houden, werd alleen de crimineele als in Solo ingericht en stichtte men er een residentiegerecht voor Europeanen en een landraad voor crimineele zaken van Inlanders. Voor zaken van minder gewicht bestaan daarnaast 10 regentschapsgerechten; deze vormen het hooger beroep voor de districtsgerechten, die ook in het grootste deel van Djokja werden ingevoerd. Voor civiele zaken over niet groote bedragen bestaan in dit rijk nu nog eenige inlandsche rechtbanken, die oude namen dragen. Als opperste rechtbank voor deze geldt die des rijksbestuurders, die in hooger beroep deze civiele zaken behandelt. Het is wel bij deze, dat wij op deze plaat worden binnengevoerd, want de rijksbestuurder zit links aan de tafel voor, terwijl twee Javaansche grooten achter de tafel als bijzitters dienst doen. Aan des rijksbestuurders rechterzijde staat een klein tafeltje voor den schrijver, terwijl de partijen evenals deze op den grond gezeten zijn. Links beëedigt een mohammedaansch geestelijke een der aanwezigen en houdt hem daarvoor een koran boven het hoofd. Een lansdrager, wiens Europeesch hoedje minder goed in deze omgeving past, vertegenwoordigt de politiemacht bij deze zitting, die plaats heeft in een daarvoor bestemd gebouw in den kraton des rijksbestuurders." "Plaat 129. Op dezelfde plaats, waar de maskerdans van plaat 118 werd opgenomen, liet ook de sultan van Koetei zich in zijn grootsten luister photographeeren, d.w.z. in vol ornaat en omgeven van alle teekenen zijner vorstelijke waardigheid en als bestuurder van zijn rijk. In zoover zijn de bijzonderheden van dit tooneel kenmerkend voor hetgeen men aan alle inlandsche hoven behoudens plaatselijke afwijkingen terugvindt. De persoon van dezen ouden, energieken sultan treedt hierbij reeds dadelijk op den voorgrond; zijn in Europeesch snit gehouden galauniform past noch geheel bij zijn inlandsch uiterlijk, noch bij de gouden kroon, die in hoofdvorm met die uit den Hindoetijd veel overeenkomt. Hoe eigenaardig onhandig zulk een pas tot rijkdom gekomen inlandsch potentaat zijn kan, daarop wijst de als koningsmantel om zijne schouders hangende balmantel van witte zijde, dons en koorden met kwasten, die beter zouden staan om de blanke schouders van een gedecolleteerde schoonheid dan om de zijne. Het was wel een van de vele Europeesche, onbruikbare kostbaarheden, waarmede de een of andere handige handelaar zijne Hoogheid van zijn geld trachtte bevrijden, wat dikwijls maar al te goed gelukt. Wel werkt het geheel op onze lachspieren, maar het zou dwaas zijn, daarnaar de persoonlijkheid van den sultan af te meten; hij was een van die vorsten, waarmede de Indische regeering indertijd (in de negentig) wel degelijk rekening moest houden en die hare plannen uitnemend wist te dwarsboomen. In zijn eigen omgeving wist hij zich ook heel wat beter dan zijn opvolgers te doen gelden. Evenals de Europeesche vorsten zijn de Indische met een menigte teekens hunner waardigheid omgeven; zoowel hier als daar ontleenen deze hunne beteekenis voor hen en hunne rijken wellicht oorspronkelijk aan denzelfden gedachtengang, die evenwel in Indië tegenwoordig nog gehuldigd wordt. Zij bestaan uit allerlei kostbare voorwerpen van dagelijksch en oorlogsgebruik. De gewichtigste dezer rijkssierraden zijn wel de twee krissen, die door twee van des sultans vrouwen naast hem worden omhoog gehouden; rechts achter deze groep hebben twee zittende vrouwen evenzoovele pronksirihstellen op haar schoot, links twee anderen ieder een kwispedoor. Dan volgen aan weerszijden een rij vrouwen van dorpshoofden, die allen een kostbaar stuk dragen, waaraan door den vorst en zijn volk meer of minder waarde als rijkssieraad gehecht wordt. De wit glinsterende waren van zilver. Drie zonneschermen zijn in de groep opgenomen; op den achtergrond twee van het oude, vaste model, dat in de Javaansche Vorstenlanden slechts den vorsten zelf nagedragen mag worden, en links een van nieuweren vorm, verguld als vorstelijke kleur. Deze rijkssieraden ontleenen hun gewicht voor het rijk niet aan hunne kostbaarheid; vereering genieten zij door het algemeene geloof aan hunne bezieling, waaraan ook de overtuiging is toe te schrijven, dat van hunne goede behandeling en hun bezit de welvaart van het rijk in hooge mate afhankelijk is. In de Boegineesche en Makassaarsche rijken op Celebes is het uitoefenen der vorstelijke waardigheid aan hun bezit gebonden; in het vroegere Bandjarmasinsche rijk evenzoo. (Zie bladz. 34 Dl. II.) Hoogst karaliteristiek, voor de toestanden aan dit en andere Indische hoven werkt de omgeving van vrouwen om den vorst; aan Europeesche hoven zijn het krijgslieden, die de vorsten bij plechtigheden in hun nabijheid houden; de Indische geven de voorkeur aan vrouwen. Zeer waarschijnlijk, heeft zich deze gewoonte ontwikkeld uit den angst voor verraad hunner mannelijke nabestaanden, waarvoor blijkens de geschiedenis alle reden bestond. Dat de veelwijverij dit in de hand heeft gewerkt, mag als zeker aangenomen worden."
- schoolplaten





