Ga direct naar de content

Een schoolplaat met twee foto's van vulkanen. Onder de bovenste foto staat: "7.

Haarlem

Een schoolplaat met twee foto's van vulkanen. Onder de bovenste foto staat: "7. Kratermeren van de Diëng. (Midden-Java)". Onder de foto daaronder: "Kleynenberg & Co, Haarlem De Dubbelkrater van de Tangkoeban Prahoe (West-Java)". Op de achterkant eveneens een foto van een vulkaan met daaronder: "Kleynenberg & Co, Haarlem 8. De Kawah Manoek-krater. (West-Java)". Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Prof. J.F. Niermeyer: "Inleiding op platen 7 tot en met 11, en Plaat 7 Kratermeren van de Dieng (boven) De dubbelkrater van de Tangkoeban Prahoe (onder) De vulkanen overheerschen op geen enkel der grootere eilanden van den Archipel zoozeer over de andere elementen van het landschap als op Java. Meer dan vijftig in getal, verrassen zij door een verscheidenheid van vormen, die te meer treft bij de eenvormigheid hunner samenstelling. Voor den petrograaf, den kenner der gesteenten, levert een Indisch vulkaanlandschap zelden iets zeer belangrijks op. Twee gesteenten zijn verreweg overheerschend, bazalt en andesiet, zoowel onder de lavasoorten als onder de tuffen, die uit de losse producten der vulkanen zijn opgebouwd. Maar uit dit eentonig materiaal, neergelegd door de volgens vaste wetten werkende natuurkrachten, is toch in den loop der eeuwen een landschap met zeer afwisselend uiterlijk geschapen. De vulkanische kracht zelve bouwt op en breekt weer af; het eerste evenwel veel meer dan het laatste. Haar meest eenvoudig bouwwerk is de bekende, tot een kegel naderende figuur, die men gewoon is als den typischen vulkaan te beschouwen1) waarvan de helling omhoog regelmatig steiler wordt en die in den top een trechtervormige inzinking heeft, den krater, waarvan men zich de wijdte gewoonlijk te klein voorstelt; want kraters van slechts een paar honderd meters doorsnede zijn uitzonderingen. De diepte kan zeer gering zijn, wanneer de krater bij de laatste uitbarsting met de eruptieproducten gevuld is gebleven; en in den regel is de omtrek veel grooter dan de diepte. Maar de laatste kan ook eenige honderden meters bedragen. Deze regelmatige vulkaankegels zijn echter in de minderheid. Bergen, die sedert vele eeuwen geen werking meer hebben gehad, zijn door de kracht van het stroomend water somtijds in ruïnen herschapen, waarin de kratervorm nog maar nauwelijks te herkennen valt. Maar ook de inwendige krachten kunnen den kegel geheel vervormen, door het topdeel bij een geweldige eruptie te doen instorten of in de lucht te blazen. Zoo ontstaan de grootsche kratercircussen, die het bovendeel dezer afgeknotte kegels innemen en waarvan de Tengger in Java's Oosthoek de meest bekende en bezochte, en in menig opzicht merkwaardigste, maar de Idjen, nog oostelijker gelegen, de meest grootsche vertegenwoordiger is. Plaat 7 Kratermeren van de Dieng (boven) De dubbelkrater van de Tangkoeban Prahoe (onder) Plaat 7 boven Geen vulkaan, die een zoo groote verscheidenheid van merkwaardigheden vertoont als „de onuitputtelijke Diëng", zooals Junghuhn aardig zegt. Er is hier geen groote kraterrand, die het geheel omsluit en daaraan een karakter van eenheid geeft; maar voortdurend werken er een aantal krachtige solfataren en een paar modderbronnen, die tot rust schijnen te komen als de naburige Sindoro werking vertoont, maar anders dikwijls heftig spuiten. De Javanen noemen al deze punten 2) de kelangenan, de vermakelijkheden, nu ze herhaaldelijk door toeristen worden bezocht. De clou der tentoonstelling is het Doodendal, een kleine hellingtrechter, met steile, prachtig begroeide wanden, die sterk contrasteeren met den geheel kalen, vlakken bodem. De laatste is poreus en uit de vele gaatjes stijgt een gas op, dat een scherpen reuk heeft en zeer giftig moet zijn, want men ziet er soms de lijken van vlugge en sterke beesten als panters en wilde honden, en altijd vele van vliegend gedierte. Wanneer de zon in de kraterput schijnt, wordt het gas bij de luchtcirculatie meegevoerd, en kan men zonder hinder tot op den bodem afdalen; maar des nachts, en in den regentijd veelal ook overdag, hangt er een gaslaag van een paar meters hoogte. De Diëng bezit vele fraaie kratermeertjes, waarvan wij de Telaga Tjebong op plaat 2 hebben afgebeeld. Plaat 7 geeft een voorstelling van twee andere, Telaga Werna en Telaga Pengilon (boven), die door een smallen dwarsdam zijn gescheiden. Pengilon beteekent spiegel; het achterste meer wordt zoo genoemd omdat zijn oppervlak voor de meeste winden beschut ligt en dus bijna altijd effen is. Het voorste meer, Telaga Werna, vertoont hier en daar een heel fraaie groene kleur, en daarnevens paarse tinten, die door veenafzetting te verklaren zijn. Maar ook al ziet men de kleuren niet - de kunst der reproductie vermag die nog niet goed weer te geven, tenzij op glas - dat het mooi is op den Diëng dat toont de plaat zeker. Plaat 7 onder Onze overige vulkaanplaten verplaatsen ons naar het meest grootsche vulkanenland, de Preanger Regentschappen. De drukst bezochte berg, die van de hoofdstad Bandoeng uit gemakkelijk te bereiken is, is de Tangkoeban Prahoe de „omgekeerde prauw", aldus genoemd om de lange kamlijn die ze van 't zuiden gezien vertoont. De groote kraterwal is namelijk sterk elliptisch en omsluit een dubbelkrater. Vele malen zijn de kraters afgebeeld, maar een voorstelling van beide tegelijk ontbrak. Daarom namen wij de onze op, die genomen is van den tusschenweg die beide kraters scheidt; al komt het grootsche van het panorama, dat men boven van den kraterrand overziet, hier minder sterk tot uiting. „De Tangkoeban Prahoe, die zich uit de verte, van de zuidzijde gezien, van alle andere vulkaantoppen van Java door zijn lange, rechte kamlijn onderscheidt, omvat niet minder dan vier kraters, op eene lijn van west naar oost gelegen, waarvan de uiterste iets meer dan twee kilometer uiteen liggen. Alleen de beide middelste worden door de toeristen bezocht en het zijn dan ook de merkwaardigste. Zij vormen de geweldige dubbele kraterkolk, welker werking men al gewaar wordt op het laatste deel van den rit omhoog, eerst door afgeknotte doode boomen, waarop allerlei planten voortwoekeren, dan door dood kreupelbosch, schril contrast met het weelderig woud vol prachtige boomvarens, waardoor te voren het pad ging. De krater maakt vooral op de velen, die nog nooit een werkenden vulkaan bestegen, een verbijsterenden indruk. Deze helleketel, met zijn steile, meerendeels naakte en lichtgrijze, met witte steenen gespikkelde wanden van lavabanken en losse zandlagen, midden uit welke hier en daar voortdurend een ijle dampwolk opstijgt zonder dat men een opening ziet, als kon evengoed straks de gansche ringmuur van onder tot boven in rook gaan staan, geeft in den fellen zonneschijn een tooneel van duivelsche doodschheid. De spichtige stammetjes op den rand lijken, zwart tegen de lucht afgeteekend, een hekwerk ter beveiliging, dat men zich wenschen zou op de kale plaats waar men staat. Hier en daar dringt het doode woud een eind naar binnen langs de wanden, die, van boven bijna loodrechte muren, lager uitloopen in door ravijntjes gescheiden ruggen, welke, gegroefd door honderden regenstralen, in de vlakke kraterbodems staan als rijen van rimpelhuidige olifantspooten. De westerkrater, de Kawah Oepas, of gifkolk, (rechts op de plaat), bevat een meertje met lichtgroen water; de andere, Kawah Ratoe, koninginnekuil, heeft soms ook een meer, met water van vreemdgrijze kleur en zendt dampen uit over den vlakken zandgrond daarneven; soms is het meertje tot een paar poelen ingedroogd of geheel verdwenen. Afdalen kan men langs den tusschenrug, die de Kawahs scheidt; de gids breekt naast dien rug de losse, grauwe aardkorst open, die hem nauwelijks draagt, en daaronder blijkt het vol te zitten met schitterend gele zwavelkristallen, fijne broze naalden en loovertjes. In 1910 had een hevige uitbarsting plaats, na 14 jaren rust. In de Kawah Oepas ontstonden daarbij eenige nieuwe solfataren, maar de krachtigste werking vertoonde de Kawah Ratoe, waar het meertje werd uitgeworpen en een diepe kraterpijp te zien kwam. Sedert is het meertje zich weer gaan vormen. Wat den indruk van dezen krater verhoogt, is de evenredige verhouding der afmetingen, zoodat de ruimte niet klein schijnt bij de diepte, als bijv. bij den Patoehaput, noch de diepte onaanzienlijk door de reusachtige wijdte, als bij den Tengger-circus. De elliptische bovenwand heeft een lengteas van 1600 en een breedteas van 1200 meters; en de diepte bedraagt er 300 tot 350, wat in verhouding veel meer schijnt, omdat het oog verticale afmetingen zoo sterk overschat. De rand heeft een hoogte van 2000-2085 M., behalve in het oosten der Kawah Ratoe, waar ze tot 1800 M. daalt. In 't zuiden staande, ziet men met begeerig oog over de inzinking de bosschen en plantages, de sawahs en dorpen van het land van Segala Herang en Batoe Sirap en aan den horizon de Javazee als een schitterenden spiegel. Hoog aan de buitenhelling van den berg ligt ten oosten de Kawah Domas, waaromtrent niet veel bekend is; en aan de westzijde is een ondiepe kraterput omsloten binnen een wijden cirkelboogvormigen wand, die achter den rand van den grooten dubbelkrater omloopt, gelijke hoogte heeft en zich in 't zuiden ermee vereenigt; hoewel hij vlak bij de route der touristen is gelegen, is 't bestaan van dezen krater pas door de topographische opneming bekend geworden en is hij door Fennema het eerst beschreven. De Tangkoeban Prahoe stijgt aan de zuidzijde zeer langzaam, zelfs voor een vulkaantop, uit 't plateau van Lembang op, maar daalt in 't noorden veel steiler omlaag; diepe ravijnen mist zij, als de meesten tot in den jongsten tijd werkzame vuurbergen" 3) 1) Zie den kegel van den Sindoro, op den achtergrond van plaat 7 en dien van den Smeroe op plaat 11. 2) Met inbegrip van de kleine, fraaie tempeltjes uit den Hindoe-tijd, waarover later zal worden gesproken. 3) De schrijver heeft zich hier - en ook voor den Papadajan - een autoplagiaat veroorloofd uit zijn bewerking van het 3e deel van Java, geographisch, ethnologisch, historisch, door P. J. Veth. 2e druk, bewerkt door Joh. F. Snelleman en J. F. Niermeijer" "De Kawah Manoek is een der vele kraters, die de groote attracties vormen van het verblijf te Garoet, op het door vulkanen omringde bekken van Garoet, het hoogdal der Tji Manoek, in de Preanger Regentschappen. De krater ligt in den westelijken vulkaanmuur van dit hoogdal. Groot is ze niet; de bodem is een smal ravijn, dat aan drie kanten door steile, maar niet hooge wanden is omgeven. Asch- en lava-erupties zijn er niet van bekend. Maar in het ravijn liggen een aantal modderkolken, in voortdurende werking. Ze worden samen Kawah Manoek, de vogelkrater, genoemd, omdat vele vogels, door de dampen bedwelmd, in de modder omkomen. In sommige bekkens is de modder dunvloeibaar en borrelt voortdurend op, onder krachtige gasontwikkeling; in andere is ze taai, en de gasbellen breken er met geweld doorheen om aan het oppervlak uiteen te spatten. Links op den voorgrond ziet men de witte, dunne, kokende modder in een rond bekken, dat op dit oogenblik niet zooveel damp ontwikkelt als dat op den achtergrond. Een dikke modderstroom vloeit door het ravijn omlaag en breidt zich uit over de geopende zijde van den krater. Behalve door de virtuoze verscheidenheid der onderaardsche geluiden treft deze plek door de prachtige kleurschakeeringen van modder en rotsen: staalblauw en goudgeel, steenrood en parelgrijs, Daarbij komen dan nog de roodbruine en blauwgroene tinten der wieren, die zich aan de hard geworden modder hechten en een bodem vormen, waarop zich andere planten ontwikkelen kunnen. De gansche flora heeft hier een zeer eigenaardig karakter, dat in 't algemeen aan de nabijheid van warme modder-, gas- en waterbronnen op deze vulkanen eigen is. Te midden van het dichte en weelderige, hoogstammige tropenwoud vindt men daar gewassen met lage stammen, en met kleine bladen, soms dik en leerachtig, soms zwaar behaard, alles om zich te wapenen tegen een te sterke verdamping, dus als tegenwerking tegen de hooge temperatuur van, den bodem en diens rijkdom aan gemakkelijk oplosbare zouten."

Type
schoolplaat
Onderdeel van
Oorlog, vrede en recht, Kolonialisme
Identificatie
236064
Trefwoorden
  • vulkanen,
  • schoolplaten
Materiaal
karton
Locatie
Periode
1911 - 1913
Licentie
Erfgoedcollecties zijn meestal vanuit een Westers en koloniaal perspectief tot stand gekomen.