Schoolplaat 149. Jong Tabaksveld.
Indonesia, omstreeks 1912
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "149. Jong Tabaksveld." Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” In een glooiend gebied een pas aangelegde tabakperceel/-tuin. Op de achtergrond een lange loods en enkele houten gebouwen met puntdaken. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van L.A. Bakhuis: "Plaat 147 Tabak, sorteerloods. Plaat 148 Tabak, gekapt Oerbosch. Plaat 149 Jong Tabaksveld. Hier hebben wij weder te doen met een kenmerkend vaderlandsch genotmiddel. Wij kunnen ons de Hollanders van eenigen tijd terug zoo goed voorstellen met den ,Gouwenaar’ in den mond, en nog altijd is het gebruik (volgens, enkelen ook misbruik) van tabak in ons vaderland zeer algemeen. De minder smakelijke vormen van kouwen en snuiven treden hierbij meer en meer op den achtergrond, terwijI het rooken nog stand houdt. Doch niet alleen als verbruikers deden en doen de Hollanders zich gelden, ook als producent heeft ons land beteekenis. Hiermede wordt nu niet bedoeld het voortbrengen van de ,Amersfoorter Tabak’, die hier te lande wordt geteeld, maar is meer het oog gericht op Indië. Java en Sumatra toch leveren vrij aanzienlijke hoeveelheden tabak en vooral van het tweede eiland komt een hooggeschatte kwaliteit, die ongeveer driemaal hoogeren prijs behaalt dan de Java-Tabak. Zij dankt deze, bijzondere waardeering o.a. aan de bijzondere eigenschappen, die het voor ,dekblad’ van sigaren bezit. Evenals vele voor onze Oost nuttige gewassen is ook de tabak (Nicotiana Tabacum) uit Amerika ingevoerd. Daar was het gebruik reeds ten tijde van Columbus verbreid en van daar werd het product voor Europa overgebracht en na eenigen tijd ook hier en daar in cultuur gebracht. De eerste pogingen, om tabak in Indië in het groot te cultiveeren, werden omstreeks 1830 door het Gouvernement gedaan en, zooals het wel eens meer met Gouvernementscultures is gegaan, zonder veel blijvend resultaat. Eigenlijk kon men eerst van een tabaksteelt op groote schaal spreken na de oprichting der Delimaatschappij 1) in 1869 door P. W. Janssen te Amsterdam. Deze bekende koopman en philanthroop heeft daarmede een bron van welvaart voor ons volk geopend, die nog heden rijkelijk vloeit. Merkwaardigerwijze heeft zich op Sumatra de tabaksteelt juist ontwikkeld in het gebied, door deze maatschappij tot haar arbeidsterrein gekozen. Op Java wordt tabak vooral in Midden- en Oost-Java verbouwd, en wel op een wijze, die zoo sterk afwijkt van de methode, in Deli (Sumatra) toegepast, dat hier met enkele korte trekken daarvan een afzonderlijke schets gegeven dient te worden. De gronden worden door den planter gewoonlijk gepacht voor een termijn, afhankelijk van verschillende omstandigheden en wisselend, maximum 30 jaar. Gewoonlijk wordt in twee jaren een tabaksoogst verkregen, en daar nu de tabak slechts weinige maanden behoeft, om te rijpen, blijft het land nog gedurende vele maanden ter beschikking voor andere cultures. Gedurende dezen tijd wordt daar meestal aan de bevolliing het recht gegeven, om rijst te planten onder voorwaarde, dat een bepaald deel van den oogst aan den planter wordt afgestaan. Zoo verkrijgt men in twee jaren gemeenlijk drie rijstoogsten en een tabaksoogst. Na den derden rijstoogst wordt de bodem aan een goede omwerking onderworpen, zoodat lucht en vocht erop kunnen inwerken. Tevens worden zaadbedden aangelegd en daarop de uiterst fijne tabakszaden uitgestrooid; uit 2 gram zaad ontstaan circa 3000 plantjes, waarvan de beste en krachtigste worden uitgezocht om te worden overgeplant op het veld (op afstanden van 3 bij 1,5 voet). Nu wordt evenals bij het suikerriet elk plantje begoten en verzorgd, tot het aan zich zelf overgelaten kan worden; welk een arbeid hiervoor noodig is, blijkt reeds uit het groote aantal planten per bahoe 2) (n.l. 16000). De planten groeien vrij snel, vooral indien de vochthoeveelheid voldoende is. Is de plant volwassen, dan worden de rijpe bladeren geoogst en telkens ten getale van honderd stuks aan een bamboe stok bevestigd en naar de droogschuren gebracht, waar zij buiten de zon en zoo noodig door kunstmatige warmte worden gedroogd. Dan worden er bundels van 50 à 60 even groote bladeren gemaakt en deze in de fermenteerschuur gebracht. Bij dit fermenteeren wordt in de tabaksstapeltjes warmte ontwikkeld; waarbij de eigenaardige eigenschappen ontstaan. Dit fermenteeren dient geleid te worden, zoo dat de temperatuur niet te hoog wordt. Daarna wordt gesorteerd op kwaliteit en op kleur; de bijeenhoorende bladeren tot bundels gevormd en in balen verpakt. Groot is het onderscheid tusschen het hier geschetste bedrijf en de tabaksteelt op Deli. Tegenover een zeer intensieve cultuur, waarbij men elk jaar twee oogsten binnenhaalt, staat op Sumatra een teelt op maagdelijk terrein, dat na den eersten oogst voor jaren weer verlaten wordt. Voor het aanleggen van een tabakstuin wordt daar het bosch geveld, de gevelde stammen in kleine stukken verdeeld en ten slotte verbrand. (Zie plaat 148.) De bodem, die dan bloot gekomen is, wordt in Deli op zeer grondige wijze bewerkt, waarbij jarenlange ervaring op het veld en de resultaten van wetenschappelijk onderzoek in het proefstation de werkwijze hebben aangegeven, die thans te volgen is. De bodem wordt van onkruid gezuiverd en vrij diep losgewoeld. Er worden zaadbedden aangelegd en verder voortgewerkt zooals voor Java in enkele lijnen is aangegeven. (Een kijkje op een jong tabaksveld geeft plaat No. 149.) Is de oogsttijd aangebroken, dan begint men het rijpe blad te plukken. Vroeger sneed men de plant in haar geheel af, nadat ze eenigen tijd van te voren getopt was. Hierbij werden alle bladen tegelijk geoogst en daar deze niet alle tegelijk rijp zijn, had deze oogstwijze een ongunstigen invloed op de kwaliteit. Thans oogst men nooit meer dan twee bladen per plant tegelijk, van onder beginnend. De onderste bladeren zijn n.l. het eerste oogstbaar. Daar deze door bij den regen opspattende zandkorrels een gespikkeld uiterlijk verkregen, noemt men de eerste 2-4 bladen ,zandblad’. Deze worden afzonderlijk gehouden. Dan volgen voet-, midden- en topblad, tot circa 22 bladen van 1 plant zijn verkregen. Daar tegenwoordig vooral naar superieure kwaliteit gestreefd wordt, heeft men getracht hierop door verandering van teeltwijze invloed uit te oefenen en inderdaad bleek reeds, dat de oogsttijd (n.l. 's morgens of 's avonds) invloed had op de kleur. De geoogste bladeren worden nu op een bijzondere wijze aangeregen, zoodat 40 of meer bladeren aan een stuk garen komen. Deze rissen worden opgehangen in de droogschuur, een ruim gebouw, dat door ‘atap’ (groote gedroogde palmbladen, dikwijls van Nipa) afgesloten is. Hierdoor is een ruime luchtcirculatie in de schuur gewaarborgd en dit is noodig, want het drogen geschiedt meestal zonder kunstmatige verwarming. Dat drogen toch moet zeer gelijkmatig en niet te vlug geschieden, anders wordt de kwaliteit van het product in ongunstigen zin beïnvloed. Het drogen wordt als afgeloopen beschouwd, wanneer het blad zoogenaamd „handdroog’ is, d.w.z. bij voorzichtig samendrukken nog niet knapt en zacht aanvoelt. Dan wordt het blad gebundeld, d.w.z. in stapeltjes van 40 à 50 stuks bijeen gebonden. Deze bundels worden in goed gesloten kisten of wagens naar de fermenteerschuur gebracht. Hier worden de bundels op stapels gezet, waarin al spoedig een temperatuursverhooging waargenomen wordt. Wil het doel hierbij niet voorbijgeschoten worden, dan dient men de ontwikkelde warmte binnen bepaalde grenzen te houden. Regelmatig wordt de temperatuur in de tabaksstapels opgenomen en komt deze boven de vastgestelde grenzen, dan wordt de stapel omgezet. Evenals bij het drogen grijpen ook bij het fermenteeren allerlei veranderingen in het blad plaats, o. a. reeds merkbaar door verlies aan gewicht, dat bij het fermenteeren wel niet zoo belangrijk is als bij het drogen maar waarbij het toch nog steeds 5 à 10% van het gewicht bedraagt. Verloopen de beide processen niet zooals het behoort, dan vertoont de tabak fouten, hetzij in de kleur of in de brandbaarheid of in andere eigenschappen. Na afloop van het fermentatieproces worden de verschillende partijen (zandblad, voetblad, topblad enz.) ieder voor zich met de hand naar de kleur gesorteerd. Het gesorteerde blad wordt door andere koelies overgenomen, die van deze bladeren bundels van 30 à 40 stuks maken. Plaat. No. 147 geeft een kijkje in een fermenteerschuur. Rechts op de verhooging ziet men de fermenteerende tabaksstapels staan, met matten toegedekt. In de gang zijn vele rijen werklieden bezig, de linksche rij met sorteeren, de rechtsche met bundelen. Nu worden de bundels nog eens naar de lengte in vier soorten onderscheiden en ten slotte gebaald. Daartoe wordt 80 K.G. samengeperst en in eene mat (dikwijls van ‘poeroen’, een soort bies, die vooral van Borneo komt) verpakt. De verpakking wordt gemerkt en dan is het product voor de verzending gereed, en kan, zooals op plaat N°. 136 zichtbaar is, naar de havenplaats vervoerd worden, waar het in de stoomers opgenomen wordt, om ten slotte in Amsterdam aan de markt te komen. De bijzondere eigenschappen van de Deli Tabak geven aan de veilingen van dit product in Amsterdam een eigenaardig karakter. Van heinde en ver stroomen dan de belang-hebbenden bijeen, de Amsterdamsche hotels zijn dan gevuld met vreemdelingen uit verschillende deelen van Europa, zelfs van Amerika. De totale tabakproductie van Sumatra bedraagt ongeveer de helft van die van Java; tegen een half millioen balen van Java brengt Sumatra circa een kwart millioen balen voort. Toch bleek de totale marktwaarde der jaarproductie van Sumatra nog hooger dan die van Java. Tegen een prijs van circa 30 ct. per half K.G. voor Java-tabak wordt voor Sumatra-product ongeveen ƒ 1.- gemaakt; in 1906 is zelfs een toppunt van ƒ 1.55 per half K.G. verkregen. Er zou over deze cultuur nog heel wat meer te vertellen zijn, zoo b.v. aangaande de bestrijding van ziekten en plagen, die ook de tabaksplant bedreigen, over de proeven, die men neemt, om steeds vroeger op hetzelfde terrein terug te kunnen komen, over de invoering van wisselcultures, het arbeidsvraagstuk en zoo vele andere belangrijke zaken. Daarvoor is echter in dit verband geen plaats en doet men beter de uitvoeriger werken te raadplegen.3) Ten slotte zij hier nog aangestipt, dat door de bevolking ook nog veel tabak gecultiveerd wordt, zooals uit het hoofdstuk „Bevolking’ van dit werk te lezen is. Zie ook de platen N°. 77 en 78. 1) In 1871 word tot hoofdadministrateur dezer Maatschappij de toen nog zeer jonge heer J. T. Cremer benoemd, die later als Minister van Koloniën en President der Nederlandsche Handelmaatschappij nog grooten invloed had op de ontwikkeling der cultures in Indië. 2) 1 bahoe is ongeveer 7/10 H.A. 3) Zie o.a. Beschrijvende Catalogus van het Koloniaal Museum, afd. Tabak; K.L. Weigand: Der Tabakbau in Niederlandisch-Indiën, Java, 1911. Ook in de door steller dezes geredigeerde serie ‘onze Koloniale Landbouw’ wordt een deeltje ‘Tabak’ opgenomen."
- plantages,
- schoolplaten
- omstreeks 1912





