Ga direct naar de content

Schoolplaat 144. Goudontginning "Redjang Lebong.

Haarlem, omstreeks 1912

Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "144. Goudontginning "Redjang Lebong." Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” Een blik op een goudwinninggebied: de huizen, gebouwen, bunkerplaatsen en loodsen met betrekken tot de goudwinning. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van L.A. Bakhuis: "Plaat 144 Goudontginning ,Redjang Lebong’. Plaat 145 Goudontginning ,Redjang Lebong’. Dat in den Oost-Indischen Archipel naast de andere reeds beschreven delfstoffen ook goud in den bodem wordt aangetroffen was reeds uit oude overleveringen bekend en een feit is het dat in de zoogenaamde Chineesche districten in de Westerafdeeling van Borneo Chineezen er reeds door werden aangetrokken voordat de Europeanen in Indië kwamen. Intusschen hebben eerst in den laatsten tijd stelselmatige onderzoekingen plaats gehad naar de wijze waarop het goud aldaar voorkomt. Gebleken is toen dat er in hoofdzaak vier soorten van goudafzettingen zijn aan te wijzen; in de eerste plaats in de op het eiland Sumatra voorkomende plutonische gesteenten die door de oudere leigesteenten zijn doorgedrongen; vervolgens wordt goud gevonden in de berggruis- of grondafzettingen welke uit die gesteenten zijn samengesteld, verder in oude rivierbeddingen die later door vulcanische uitwerpselen bedekt zijn (zoogendamde deepleads), en ten slotte in de afzettingen die in jongere eruptiefgesteenten adersgewijze zijn ingedrongen. Vooral deze lagen, meent men, zullen voor onzen archipel de belangrijkste en meest productieve zijn. Tevens zijn ze echter het moeilijkste te vinden en te bewerken. Voor zoover de inlanders zich met het winnen van goud bezighouden geschiedt dit veelal op zeer primitieve wijze; zij bepalen er zich n.l. toe om het goudhoudend berggruis of rivierzand bij kleine hoeveelheden in zeer flauw kegelvormig toeloopende houten schotels te doen en het aanhoudend met water zoo te schudden en te wasschen dat het lichtere zand over de schotel wegvloeit en het veel zwaardere goud gelegenheid heeft zich in de punt van den kegel te verzamelen. Dit goud wordt als stofgoud in den handel gebracht. De Chineezen volgen gewoonlijk dezelfde methode; soms bewerken zij ook wel de goud houdende aderen in het vaste gesteente doch hunne ontoereikende mijnbouwkundige kennis en hulpmiddelen dwingen hen zich te beperken tot het meer of minder verweerde erts dat gemakkelijk te bewerken is en het werk te staken indien het gesteente te hard blijkt, tunnelbouw noodig is of waterbezwaar ondervonden wordt. De Europeesche mijnbouw dateert eerst van 1892 toen de eerste maatschappij werd opgericht. Wel ontginde de Oost Indische Compagnie reeds eenige mijnen, zooals te Sambang Salida (Sumatra's Westkust), hetzelfde terrein dat thans weder door de Maatschappij „Salida” zal worden ter hand genomen, op Java in het Parang gebergte (Krawang) en op Celebes bij Makassar, doch deze werden allen na korteren of langeren tijd verlaten, eenerzijds daar de ontginning zelve en de behandeling der ontgonnen ertsen te veel bezwaren opleverde, anderzijds omdat de slechte gezondheidstoestand, de moeilijke controle op het beheer dat gewoonlijk veel te wenschen overliet en het groote gebrek aan goede gemeenschapsmiddelen en werkkrachten daartoe noodzaakten. Thans zijn de streken waar goud wordt aangetroffen overdekt met een groot aantal vergunningen tot mijnbouwkundige opsporingen en concessien die in alle denkbare stadien van opkomst en verval verkeeren. Tot bloei, zelfs tot rendeeren hebben het intusschen slechts weinigen gebracht, daar de bezwaren van vroeger zich ook thans in meerdere of mindere mate voordoen en groote kapitalen noodig zijn om die bezwaren te overwinnen. De maatschappijen die ten koste van groote opofferingen de moeilijkheden het hoofd hebben weten te bieden en thans op resultaten kunnen wijzen zijn de mijnbouwmaatschappijen Redjang Lebong, Ketahoen en Simau in de residentie Benkoelen die in 1911 respectievelijk 2321, 486 en 750 Kg. goud produceerden en daarneven 12336, 783 en 2320 Kg. Zilver (in een gedegen toestand bevat goud n.l, steeds een zekere hoeveelheid zilver) de concessie Sintoeroe in de residentie Westerafdeeling van Borneo, die ƒ 150000 aan edel metaal leverde, de concessie Kahajan in de residentie Zuider en Oosterafdeeling van Borneo alwaar 4923 Kg. amalgaam werd gewonnen ter waarde van ƒ 6178 en de concessie Totok, Palehleh en Pagoeat in de residentie Menado die respectievelijk 408, 532 en 6.1 Kg. goud en 161, 229 en 2 Kg. zilver produceerden. Om een denkbeeld te geven van de wijze waarop het goud uit de ertsen gewonnen wordt, volgt hieronder een schets van het bedrijf van de voornaamste dier maatschappijen, de mijnbouwmaatschappij Redjang Lebong. Plaat 144 en 145 geven een beeld hoe uitgebreid dat is. De onderneming Redjang Lebong, die in Maart 1897 werd opgericht, is gelegen tusschen twee evenwijdige ketenen van het Barisangebergte die in het noorden en zuiden met elkander verbonden zijn en aldus een soort van ketel vormend die van alle kanten slechts met moeite te bereiken is, wat dan ook den aanvoer van alle benoodigdheden die voor het bedrijf noodig zijn, buitengewoon, moeielijk maakt. Het machtige exploiteerbare rif der onderneming ligt gedeeltelijk boven, gedeeltelijk onder den grond. Op verschillende plaatsen wordt het gesteente met dynamiet gebroken en de stukken met electrisch gedreven railwagens naar de crusshers of steenbrekers gebracht, waar zij tot stukjes van 6 cM. worden verbrijzeld; van daar gaan ze in de mortieren der stampbatterij waar ze door stampers, elk ongeveer wegende 500 Kg. onder toevoeging van water worden gestampt en fijngewreven zoodat een brij wordt gevormd. Na over koperen platen te zijn geleid, die met kwikzilver zijn bedekt, waardoor een gedeelte van het metallisch goud al vast wordt opgenomen, wordt die brij tot bezinking gebracht tot zij zich scheidt in eene zanderige en eene slibachtige massa. Het metallisch goud dat zich met het kwikzilver tot een amalgaam heeft verbonden wordt nu en dan verzameld en de koperen platen weder op nieuw van kwikzilver voorzien; het amalgaam wordt in speciaal daarvoor ingerichte ovens verhit, waardoor het kwikzilver verdampt en het goud gebonden aan zilver overblijft. Het goud en zilver dat zich in de zanderige en in de slibachtige massa bevindt, wordt - voor beide massa's op verschillende wijze - door cyaankalium tot oplossing gebracht en daarna in met zinkkrullen gevulde vaten geleid, waardoor de beide metalen als een zwarte slib worden neergeslagen; deze slib wordt zorgvuldig verzameld en daarna onder toevoeging van borax gesmolten en tot baren gegoten die goud gebonden aan zilver bevatten. De scheiding van beide metalen geschiedt in Londen. Ten slotte zij vermeld dat het Indische Gouvernement in de laatste jaren ook opsporingen naar het voorkomen van goud in de residentien Benkoelen en Palembang heeft doen verrichten, die tot de ontdekking van vindplaatsen te en nabij Lebong Simpang hebben geleid; een uitgebreid onderzoek daarvan heeft thans plaats ter beoordeeling of tot staatsexploitatie ware over te gaan."

Type
schoolplaat
Onderdeel van
Oorlog, vrede en recht, Kolonialisme
Identificatie
220435
Trefwoorden
  • schoolplaten
Materiaal
goud
Periode
  • omstreeks 1912
Licentie
Erfgoedcollecties zijn meestal vanuit een Westers en koloniaal perspectief tot stand gekomen.