Schoolplaat 120. Krijgsdans der Dajaks. Borneo
Kalimantan, omstreeks 1912
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "120. Krijgsdans der Dajaks. Borneo". Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” Voor de open ruimte van hun hoge paalwoningen twee dansende Dajakkers Eén met een verenhoofdtooi, kwaststaf en een schild de ander hurkend met in beide handen een blaasinstument. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Prof. dr. A.W. Nieuwenhuis: "Plaat 120 voert ons weer terug naar de minder beschaafde stammen van Indië en wel naar die in Midden-Borneo. Hoewel ook dezen later blijken, nog minder dan hooger ontwikkelde samenlevingen tegen den ontaardenden invloed van hooger beschaafden bestand te zijn en ook den speelduivel dan licht ten prooi te vallen, zoo komt deze in hun eigen omgevingweinig of niet voor. Onder deze Dajaks van Borneo zijn spelen, waarbij kracht en behendigheid vooral uitkomen, meer in zwang. Hiertoe behooren ook de zwaarddansen, waarvan hier een beweging is voorgesteld. Oorspronkelijk zijn dit zeker voorstellingen van strijders, geweest, die in de daarbij voorkomende sprongen en wendingen van hunne vaardigheid in het hanteeren der wapenen tegen een onzichtbaren vijand, ook wel tegen een tweeden danser, blijk gaven en waarin jongelieden gelegenheid hadden, zich in den wapenhandel te oefenen. Een meer of minder volledige oorlogskleeding wordt dan ook door den danser gedragen; hier de van zware rotan gevlochten en daardoor tegen zwaard-slagen beschermende krijgsmuts, rijk versierd met de staartveeren van den zoo vereerden neushoornvogel, die alleen beproefde krijgers gebruiken mogen; zoo ook het schild en den mantel van pantervel, op zijn kopeinde versierd met de gespleten snavelhelften van den neushoornvogel. Het zwaard in de rechter hand is door de beweging niet te zien en alleen de lange haren aan het gevest komen wat beter uit. Onder de Dajaks voert men dezen dans op de melodie van een bamboeblaasinstrument, waarop de zittende jongen speelt, uit. Deze heeft den langen steel van een gedroogde kalebas in den mond en blaast daardoor de op verschillende tonen harmonisch gestemde bamboepijpen, die luchtdicht in eene wandopening aangebracht zijn, aan. Tegenwoordig heeft de krijgsdans en het bespelen van het bamboeinstrument daarbij eene ontwikkeling in dien zin gekregen, dat men door middel van deze allerlei voorvallen uit het dagelijksch leven tracht weer te geven, die elk door afzonderlijke wijzen begeleid worden. Voor een Europeaan is het niet bepaald gemakkelijk, het zaaien, wieden of oogsten van de rijst, het visschen enz. uit zulk een dans, in volle oorlogskleeding uitgevoerd, te leeren verstaan en evenzoo zijn de vele speelwijzen, die de Dajaks kennen, voor ons moeilijk goed te onderscheiden. Voor een Dajaksch publiek zijn deze alle echter zeer welsprekend en met veel belangstelling worden zij geregeld begroet. Het zijn meest jonge mannen, die ze uitvoeren; slechts bij plechtige gelegenheden doen het ook hoofden, en oudere mannen, bij godsdienstige ook wel priesters en priesteressen. Naast den dans zijn het de dansers en de veelal in half donker gehulde galerijen der Dajaksche huizen, die zulk eene opvoering zoo belangwekkend maken. De toejuichingen van mannen, vrouwen en kinderen, de kreten van de dansers, die zich bij hunne dikwijIs hoogst bezwaarlijke en vermoeiende sprongen en wendingen opwekken, dragen daartoe niet weinig bij. Ook onder deze donkere bewoners van Borneo's boschwoestenijen zijn de aanleg en de bedrevenheid hiervoor zeer verschillend en daarom betoont lang niet iedere jonge man veel lust bij zulk eene gelegenheid op te treden. Verschil in karakter komt daarbij sterk uit. Hoewel bekwaam genoeg weet de een ondanks alle aansporingen zijne verlegenheid nauwelijks te overwinnen en bederft er ook wel zijn optreden zelf door; een ander springt daarentegen met vrijmoedigheid en lust telkens, weer met een krijgskreet van zijn plaats op, nadert met de voorgeschreven wendingen en sprongen het op den grond gereed liggend zwaard en schild en brengt vele toeschouwers soms in vervoering met heel wat minder talenten dan zijn minder vrijen buurman bezit. Eigenaardig is het, hoe ook menigeen slechts door verzoeken en aanmoedigingen tot optreden te brengen is en hoe belangstellende vrouwenoogen voor den een een aansporing zijn en voor een ander de oorzaak van nog grootere verlegenheid worden."
- schoolplaten
- omstreeks 1912


