Ga direct naar de content

Schoolplaat 115. Rotan aan de pier te Palembang. Soemátra

Haarlem, omstreeks 1912

Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "115. Rotan aan de pier te Palembang. Soemátra". Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” Blik op de aanlegplaats/haven voor handels-/passagiersschepen. Een druk bevaarde rivierhaven met sampa's en stoomboten voor passagiersvervoer. Op de voorgrond de verhandelde rotanbundels. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Prof. J.F. Niermeyer: "Plaat 115 Ievert, aangevuld met hetgeen N°. 24 en 106 ons leerden, een belangwekkend overzicht van hetgeen op de groote handelspIaatsen der moerassige kusten in Indië voorvalt en onder welke hoogst eigenaardige toestanden de mensch daar leeft. Palembang strekt zich als oude hoofdstad van het sultansrijk uit aan beide oevers van Soematra’s grootste rivier, de Moesi, op de plaats, waar de uitgestrekte delta begint. Vooral voor het tafreel op den achtergrond, waar de eene oever zich uitstrekt, is de beschrijving van plaat 24 van waarde, want de stad bestaat hier uit dezelfde drijvende paalwoningen als Sambas ginds. Dit gedeelte bezit een lengte van een 5 K.M. evenals de stadswijk aan deze zijde, waar de vroegere sultanswoningen en de Europeesche stad gebouwd zijn, ten deele trouwens als drijvende woningen en paalwoningen als aan de overzijde. Zonder ons dus verder bezig te houden met dit voor Indië zoo eigenaardige stadsbeeld, kunnen wij ons aan Palembang wijden in zijne beteekenis als handelsplaats, waarvan juist hier zulk een kenschetsend tooneel te zien is. In dit opzicht heeft men er zich wel in de eerste plaats rekenschap van te geven, dat Palembang de eenige groote haven van het bijna wegenlooze stroomgebied van de Moesi, dus van een landstreek, tweemaal zoo groot als Nederland, (61.000 M2) vormt. De hier 400 M. breede rivier voert een belangrijk deel van het daarop gevallen regenwater af, dat daar op ongeveer viermaal den regenval in Nederland, ongeveer 700 m.M., geschat mag worden. Daarbij is dit enorme gebied nog geheel overgelaten aan het grillig spel der natuurkrachten, wat zich in Palembang evenals in de reusachtige alluviale vlakten boven en beneden deze stad vooral door regelmatig optredende overstroomingen kenmerkt. Boven Palembang rijst de Moesi en hare omgeving over eene lengte van 300 K.M. slechts 24 M. en heeft dus een verhang van 1 : 12500; beneden Palembang, dat op 12 M. hoogte boven en 90 K.M. van zee gelegen is, vangt de vorming van de reusachtige delta aan, waaraan ten noorden en ten zuiden andere delta's zich aansluiten. Bij hoog water vooral zijn verwoestingen der oevers eenerzijds, aanslibbingen elders, verleggingen van het rivierbed en tijdelijk optredende verbindingen met andere rivierarmen en stroomen een steeds wisselend spel tusschen het vloeibare water en de min of meer vaste vlakten. De Inlanders op deze plaat en hunne zoo eigenaardige kleedij ter zijde latende, gaan wij ons met de voor Indië in de laatste vijftig jaren zoo gewichtig geworden boschproducten bezighouden, waarvan de rotanbundels midden op den voorgrond vertegenwoordigers zijn. De rotan of het Spaansche riet wordt geleverd door zeer talrijke soorten klimpalmen, die in de meest verschillende afmetingen, maar tot meer dan 100 M. lang in de tropische oerbosschen voorkomen. Het zijn de buigzame stengels en stammen, die gebruikt worden. De Inlander weet voor onderscheiden doeleinden in zijne samenleving bijna alle soorten te benutten, van de kabeldikke tot de fijne stengeltjes toe. De Europeanen en vreemde Oosterlingen wenschen daarentegen voor hunne nijverheid slechts bepaalde soorten, die in stukken van eenige vademen lengte tot bundels als hier gebonden, vooral van de Groote Soenda-eilanden werden uitgevoerd. Door het aanhoudend verzamelen komt de wilde rotan nog slechts in meer afgelegen wouden voor; vandaar dat men er toe overgaat, rotan aan te planten in plantages. Deze landbouw verkeert echter eerst in zijn begin; de uitvoer van wilde rotan is dan ook nog altijd aanzienlijk en bedraagt voor den geheelen Archipel meer dan 20 millioen gulden 's jaars. Over twee andere gewichtige boschproducten, de caoutchouc en de getah pertja, die voor Palembang een groot gewicht in de schaal leggen, werd in Dl. I dezer beschrijving reeds het een en ander opgeteekend. Twee andere, de kamfer en de benzoë, beide aromatische plantenharsen, vindt men vooral in Soematra; vandaar over deze nog een enkel woord. Zeker reeds in den aanvang onzer jaartelling moet kamfer een uitvoermiddel van Soematra geweest zijn, want daaraan danken wij de eerste berichten over onzen Archipel bij Ptolemaeus; deze hebben betrekking op de Noord-Westkust van Soematra. In verwondingen en scheuren der reusachtige kamferboomen van Soematra en Borneo scheidt zich een etherische olie af, die aan de lucht vast wordt, evenals de hars onzer naaldboomen. Zulke verwondingen worden veel door gangen van torrenlarven veroorzaakt; om er de kamfer uit te halen, velt men den zeer grooten boom en zoekt de kamfer uit de spleten en de larvengangen. Vooral de Chineezen zijn het, die er als lijkenbalsem veel geld voor betalen. Deze kamfer verschilt eenigszins van de bij ons gebruikte, die in China en Japan uit bladen en takjes gestookt of wel hier in fabrieken kunstmatig vervaardigd wordt. Van meer belang moet nog tegenwoordig de benzoë geacht worden, een overeenkomstige stof en reukmiddel, dat uit een anderen boom verkregen wordt door de takken met kappen en sneden te verwonden, waardoor er een vloeistof uittreedt, die aan de lucht hard wordt. De boom komt in Zuid-Oost-Azië en op de Groote Soenda-Eilanden voor en levert ± 12 kilo benzoë per jaar. De uitvoer uit Indië beloopt ongeveer 1 millioen gulden per jaar. Het beeld van dit alles en van het belang ervan voor Palembang zou niet volledig wezen zonder te letten op de gelijkmatige bedekking van het geheele land met regenwouden, de krachtigste ontwikkeling van den plantengroei, zooals die alleen in de tropen onder overvloed van warmte, vochtigheid, licht en vruchtbaarheid gedijen kan. Slechts hier en daar wordt deze boschbedekking tijdelijk door den landbouw der niet talrijke bevolking onderbroken, om een volgend jaar bij het verlaten dezer jaarlijks verplaatste akkers de heerschappij te hernemen. Evenals zoovele havens der Buitenbezittingen heeft ook Palembang aan de voortbrengselen uit deze bosschen als rotan, cabutchouc, getah pertja, benzoë, kamfer enz. veel van zijn welvaart te danken. Die zoo uiterst welige plantengroei en de ongebreidelde werking van dezen stroom geven ons eene verklaring van de vele drijvende eilandjes, die op de plaat de rivier bedekken; het zijn ten deele afgerukte oevervegetaties, uit het oerbosch aan de rivier medegesleepte takken en bladeren, ook wel geheele reusachtige boomen, die van de steile oevers in het gebergte in de rivier zijn gestort en op hun maanden, soms jarenlange reis naar beneden door stooten en schuren van alle takken en uitsteeksels ontdaan, als ingekorte stammen beneden aankomen. Hier opgevangen, worden zij het meest als drijvers voor de op de rivier liggende huizen verkocht. Daar zij op de bovenrivieren het talrijkst, bovendien hout en werkkrachten hier het goedkoopst zijn, wordt menig drijvend huis daar gebouwd en zakt men er later den stroom mede af. Zulk een oude, afgesleten stam ligt rechts op den voorgrond. Het levendig tooneel op de plaat vertoont ons vervoermiddelen van velerlei aard, die alle bij den handel op de rivier betrokken zijn. De een- en tweemast inlandsche vaartuigen echter, die op stroom liggen, varen ook wel langs de kust van de eene riviermonding naar de andere. Het talrijkst zijn ook hier de vaartuigjes uit een boom met een enkelen roeier, die het hoofdverkeer in de stad zelf onderhouden; verder op den voorgrond beladen (met zakken) en onbeladen laadprauwen uit een boom van betrekkelijk reusachtige afmetingen, die goederen halen van of brengen naar de hekwielers, de vlakbodemsstoomers, zoo bij uitstek voor de vaart op de plaatselijk ondiepe rivieren geschikt. Twee van deze liggen links tegen den wal, rechts ziet men nog het voor de voortbeweging bestemde rad aan den achtersteven van zulk een stoomboot. Prof. dr. A.W. Nieuwenhuis Plaat 115 geeft nog een zeer belangwekkenden trek van het stadsbeeld te zien. Vooral langs den zuidelijken oever - op den achtergrond der plaat - liggen duizenden vlotwoningen (rakit's), de meeste vastgesmeerd en over bruggetjes te bereiken, maar de buitenste geheel vrij gelegen, zoodat 's avonds hunne lichtjes wiegelen met de deining van den stroom. Ze zijn vooral door Chineezen bewoond. De vlotten zijn meest van bamboe, en het is aardig, ze te zien vernieuwen, wanneer er van de bamboestengels verrot zijn; die worden uit het vlot getrokken en nieuwe ervoor in de plaats gestoken. In vroeger jaren woonden ook de Europeanen op zulke vlotten, die er keurig onderhouden uitzagen, maar dit behoort reeds lang tot het verleden. Op vlotten komen ook vele handelsloodsen van boven af drijven, beweegbare pakhuizen, die allerlei waren aanbrengen. De Maleier is een geboren handelaar en de uitnemende bevaarbaarheid der rivieren stelt hem in staat de boschproducten (vooral de rotan, zie plaat 115), koffie, kapok, katoen enz. uit de bovenlanden te halen, terwijl visch uit de benedenstreken en peper uit de Lampongs wordt aangevoerd. Naar boven gaan de gewone artikelen, waaraan het binnenland behoefte heeft; zout, geweven goederen, messen, snuisterijen. De Arabieren en Chineezen hebben den groothandel in handen; vooral op Singapore wordt drukke handel gedreven; verder op Borneo en Java en zelfs wat op Makkassar. Madoereesche prauwen - de prahoe soemenep - bezoeken Palembang geregeld. De vischvangst is ook in de stad een belangrijk bestaansmiddel; met netten en ook met fuiken, waarmede de kreeken bij afstroomend water worden afgezet. Er is ook een aanzienlijke huisindustrie en, gelijk veelal in het Oosten, heeft iedere stadswijk als regel één tak van huisvlijt tot hoofdbedrijf; zoo zijn er kampongs met ijzer- en goudsmeden, en de Palembangsche matten zijn vermaard, evenals het lakwerk, het kantwerk en de zijden of halfzijden kleedjes, veelal met gouden zilverdraad doorweven."

Type
schoolplaat
Onderdeel van
Oorlog, vrede en recht, Kolonialisme
Identificatie
220407
Trefwoorden
  • havens,
  • schoolplaten
Materiaal
papier
Periode
  • omstreeks 1912
Licentie
Erfgoedcollecties zijn meestal vanuit een Westers en koloniaal perspectief tot stand gekomen.