Schoolplaat 106. Kreek in de stad Palembang
Palembang, omstreeks 1912
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "106. Kreek ik de stad Palembang". Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” Zicht over de kreek/sloot op de achterkant van de dorpspaalwoningen gebouwd aan de kreek met hun trappen naar hun aangelegde prauw. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van J.F. Niermeyer: "En nu ten slotte Palembang, als voorbeeld van een stadstype, dat in Oost-Azië veelvuldig is, maar op Java niet wordt aangetroffen: de groote rivierstad, geheel langs den oever op en in het water gebouwd. Niet minder dan zeven kilometers - dus ongeveer zoo ver als Rotterdam in zijn ruimsten zin - strekt de stad zich langs den noordelijken oever van de Moesi uit, en een vijftal langs den zuidelijken. Dat is een groote lengte voor een stad van ruim 60000 bewoners, maar de diepte is dan ook zeer gering en reikt niet verder dan de korte kreeken, die het lage land aan weerszijden in tal van eilandjes deelen. Langs den statigen hoofdstroom, die 350-500 M. breedte heeft, en langs al die smalle kreeken (soengi's) liggen reeksen van inlandsche kampongs, waarvan de huizen, van hout en bamboe, op hooge palen staan, zooals plaat 106 aangeeft. De kreeken zijn de straten der stad, als in Venetië, en in het Spreewald, en in Giethoorn. Bij middelmatigen en hoogen waterstand vertoont zich op deze waterwegen een opgewekt leven. Groenten- en vruchtenverkoopers en allerlei ander slag van koopvolk komen met hun prauwen of hun dekbooten - de Maleische gondels - langs de huizen en bieden hun waren aan. Booten, die personen vervoeren, schieten heen en weer. Men krijgt den indruk alsof slechts het water het leven en verkeer der stadsbewoners mogelijk maakt. Bij lagen waterstand is het beeld minder aantrekkelijk; en dat komt alle dagen voor, bij ebbe. Bij springvloed rijst het water in de Moesi dikwerf een vijftal meters, bij dood getij nog anderhalf à twee. Bij lagen stand loopen de meeste kreeken nagenoeg leeg en wat er dan te zien en te ruiken komt is niet zeer verkwikkelijk. Het verkeer moet dan gaan langs de twee groote wegen die evenwijdig aan den stroom achter elken oever loopen en met bruggen de kreeken overschrijden; dwarswegen gaan er hier en daar van uit."
- stadsgezichten,
- grachten,
- schoolplaten
- omstreeks 1912





