Schoolplaat 87. Olifantenjacht. Soemátra
Haarlem, omstreeks 1912
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "87. Olifantenjacht. Soemátra.” Linksonder: Kleynenberg & Co, Haarlem.” Een groep jagers gewapend met geweren poseert in de jungle met hun helpers voor een gedode olifant. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Dr. A.W. Nieuwenhuis: "Plaat 87 voert ons naar een jacht op een heel wat grooter dier, op een olifant, die alleen op Soematra oorspronkelijk voorkomt (op Borneo verwilderd). In de niet al te hoog gelegen bergwouden van het geheele eiland dwaalt deze dikhuid in kleine kudden rond met uitzondering van eenige alleen levende, uitgestooten mannetjes, die gevaarlijker voor den mensch geacht worden. Gewoonlijk loopen olifanten bij eene ontmoeting vaor den mensch weg, maar zijn zeer te vreezen, zoodra zij aangeschoten zijn. De Soematrasche olifanten behooren tot de Aziatische met kleinere ooren en tanden dan de Afrikaansche. Zij leven in de dichte regenwouden en in de meer open bamboebosschen, waarin zij door het neertrappen van den plantengroei een menigte olifantenpaden maken, die bij tochten door deze woestenijen dikwijls goede diensten doen. In de bloeitijden van Atjeh werden daar olifanten gevangen en afgericht voor, rij- en andere diensten; nu geschiedt dat in ons Indië niet meer en de jacht op olifanten wordt door de Inlanders niet bij voorkeur bedreven, daar velen onder hen gelooven, dat hunne voorouders in deze dieren hun intrek genomen hebben. Meestal eerst wanneer zij aan de veldvruchten groote schade toegebracht hebben, tracht men ze wel met valsperen of valkuilen te dooden. De tanden vinden hun afzetgebied in den Archipel zelf tot Nieuw-Guinea toe. In de plantagestreken van de residentie Soematra's Oostkust, waar de tabaks- en andere cultures zoo velerlei Inlanders van elders doen samenstroomen, houdt het aartsvaderlijk geloof minder goed stand; een belangwekkende jacht als die op de olifanten met daar wel aanwezige moderne geweren voimt een gewenschte afleiding voor dat geemancipeerde inlandsche personeel. In de bergwouden der bovenstreken van Serdang en Asahan zwerven nog olifantenkudden en daar is het hier gephotografeerde gezelschap er op uitgetogen, den nu gevelden kolos te achtervolgen. Uit kleeding en voorkomen blijkt reeds, hoeveel verschillende Inlanders daar samenkomen; onder dit kleine getal zijn reeds Javanen, Maleiers en Bataks. De plantengroei op deze plaat drukt duidelijk uit, hoe dicht het vlechtwerk van kleine en dikke stammen met slingerplanten van allerlei aard beneden in de oerbosschen wezen kan. Het vult in deze wouden de ruimte beneden de kronen der 30-40 M. hooge boomen; boven deze verheffen zich dan nog bepaalde soorten woudreuzen, die met hunne kruinen een hoogte van 60-70 M. bereiken. Door dit alles slingeren zich tot in de hoogste toppen rotansoorten en andere slingerplanten, tot dijdik en nog dikker soms. Zij bereiken op die wijze het zonlicht, dat voor de gewone planten beneden niet bestaat. Een overweldigende menigte woekerplanten op boomen en elders volmaakt het beeld van dezen weelderigsten plantengroei. Alleen waar, als in het westen van onzen Archipel, overvloed van warmte, licht en regen het geheele jaar door met een vruchtbaren bodem voorkomen, daar slechts kan zulk een woekerend plantenkleed berg en dal ononderbroken bedekken. In Midden-Soematra steken slechts enkele kale toppen van vulkanen boven dit groene kleed uit."
- schoolplaten
- omstreeks 1912





