Schoolplaat 85. Inlandsch Kustvaarder. Midden-Java
Haarlem, omstreeks 1912
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "85. Inlandsch Kustvaarder. Midden-Java.” Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” Een platte éénmastschuit met een klein dekzeil afdakje op open zee vervoert personen. Het grootzeil overspant horizontaal de gehele boot. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Dr. A.W. Nieuwenhuis: "Plaat 85 geeft gereede aanleiding om iets over den inlandschen scheepvaart in den Archipel te vertellen. Uit het karakter der zoo gaarne op het water verkeerende Maleiers en de uitnemende gelegenheid in deze eilandenwereld heeft zich als vanzelf sedert overoude tijden eene uitgebreide scheepvaart, zoowel binnenlandsch als over zee ontwikkeld. De geheele verbreiding van de Maleiers van uit Zuid-Azië tot naar Japan, het Paasch-eiland bij Zuid-Amerika en Madagascar (zie I bladz. 24) heeft over zee plaats gehad. Die inlandsche scheepvaart tusschen naburige eilanden bestaat nog en wordt met een menigte vormen van schepen onderhouden. Uit deze had zich echter reeds lang voor de komst der Europeanen een grootsche scheep- en handelsvaart met Java als middenpunt gevormd; de voort-brengselen van land en zee werden hier uit het Oosten en het Westen heengevoerd, om ze vervolgens over het toen belangrijke Malakka naar Zuid-Azië en China te verkoopen. In het begin der 17e eeuw vernietigde Soenan Ageng van Mataram de havenrijken aan Java's noordkust en vergemakkelijkte daardoor voor onze Oost-Indische Compagnie de mededinging in die groote vaart zeer. Na den overgang van de noordkust in hare handen (1743) was het met die Javaansche groote vaart geheel gedaan. Aan de kustvaart met zeilschepen tusschen naburige eilanden heeft de stoomvaart sedert ± 1850 een zeer gevoelige knak toegebracht. Toch houden zich vooral Boegineezen en Madoereezen met hunne handels- en visschersvloten nog in het verkeer door den geheelen Archipel staande en oefenen naast handel en vischvangst ook vrachtvaart uit het Oosten, naar Singapore bijv., uit. Langs Java's noordkust en tusschen Java en Madoera, ook met Zuid-Soematra, bestaat nog een levendig kustverkeer, dat met verschillende soorten van schepen onderhouden wordt. Men vindt er daaronder, die als vrachtschepen een honderd ton goederen laden kunnen; andere voor personenvervoer alleen, terwijl de kleinste tusschen Madoera en Java uitleggers bezitten, om in evenwicht te blijven en toch geregeld van Madoera naar Java zeilen. Van de kleinere booten, die de kustplaatsen van Midden-Java bezoeken en in 't bijzonder voor personenvervoer en kleine goederen dienen, geeft onze plaat eene voorstelling. Deze lange, smalle boot met hoog oploopende voor- en achterstevens, het zoo bijzonder eigenaardige zeil en het eenvoudige afdakje in 't midden ter bescherming tegen zon en wind zijn eigenaardigheden, die men in gewijzigden vorm bij allerlei kleine inlandsche vaartuigen terug vindt. De scherpe kiel wordt meestal door een laag bootje gevormd, uit een boomstam gehouwen; op zijn boorden worden de zijwanden met planken opgeboeid. In vele streken van Indië bevestigt men deze nog door ze met rotan aan elkaar te binden, elders hebben spijkers daarvoor reeds ingang gevonden. De groote vrachtschepen worden wel geheel van planken gebouwd. Het uitgestrekte gebied der djatiwouden van Semarang tot Soerabaja met steden als Djapara, Toeban en Grissee was vroeger door een drukken scheepsbouw bekend; op kleiner schaal maakt men er nu nog de kustvaartschepen aan. In het Oosten van den Archipel vormen de Kei-eilanden een middelpunt van hooger ontwikkelden scheepsbouw. Vooral op de booten der nog oorspronkelijke volken als de Dajaks en die in het Oosten valt eene rijke versiering van voor- en achtersteven dikwijis zeer op; ook op het middengedeelte van het vaartuig komt zij wel voor. Het zijn dan gedrochtelijke maar fraai gevormde monsters of daarvan afgeleide figuren, die men er voor het afweren van booze geesten op aanbrengt. Snijwerk ontbreekt ook aan dit schip niet, getuige de steunsels van de benedenste dwarsstang. Van zeer fantastischen vorm zijn in ons oog dikwijls de zeilen der inlandsche vaartuigen, die zooals hier ook, veelal een recht primitief want dragen. Hiervoor levert de bamboe een goedkoop en bruikbaar materiaal voor de stangen, terwijl de vreemd gevormde zeilen lang niet altijd van doek, ook veel van aan elkaar gehechte pandanusbladen vervaardigd worden. Hoewel zwaar en moeilijk te hanteeren, houden deze het vrij lang uit. In verband met de uitgebreide zeevaart van uit Madoera leveren vooral de Madoereezen het inlandsch personeel onzer handels- en oorlogsmarine in den Archipel. De jacht is voor de bevolking in 't algemeen van heel wat minder belang dan de vischvangst. Over schaarschte aan wild behoeft men wel bijna nergens te klagen, maar de Inlanders bezitten in verhouding tot de onze, slechts gebrekkige hulpmiddelen voor de jacht zoodat die bij geregelde uitoefening hun tegen geringe opbrengst veel te veel tijd en inspanning kosten zou. Zoo kunnen hun pijl en boog de vergelijking met onze geweren niet doorstaan; met hunne blaaspijpen en vergiftigde pijltjes, waarmede de landbouwende stammen trouwens niet best weten om te gaan, is dat ook het geval, terwijl de speer voor veel wild niet bruikbaar, bij ander wild zeer gevaarlijk is. De jachthonden, die bij ons door hun dressuur en kracht op jacht zooveel helpen, kunnen dat in Indië door hun kleinheid en zwakheid, verder door hun gebrek aan dressuur slechts matig doen. Een teekenend verschijnsel, dat de groote waarde van onze wapenen boven de inlandsche, ook voor de jacht, voldoende aanduidt, bestaat in de bijzondere voorkeur, die voor onze geweren in Indië heerscht. Zelfs in ons oog minderwaardige worden nog tegen hooge prijzen opgekocht. De veelal niet welvarende Inlanders zouden zich zulke bijzondere opofferingen niet algemeen getroosten, wanneer niet geweren werkelijk veel beter voldeden. Met betrekking tot de nuttigheid van de jacht komt het geloof dezer volken en zijn afdwalingen sterk op den voorgrond. Zoo verbiedt de Islam het eten van de alom aanwezige wilde zwijnen, de Hindoes op Bali mogen de wilde runderen niet nuttigen, vele Dajakstammen moeten zich van het gebruik van al het hoorndragend wild onthouden, dus van alle hertensoorten, wilde runderen enz. Tijgers, krokodillen en andere schadelijke dieren mogen veelal niet gedood worden, omdat de zielen der voorouders er in zouden kunnen huizen. Eerst als zij veel schade hebben aangericht, acht men zich gerechtigd tegen hen op te treden. Uitgezonderd bij de in aantal zeer geringe jagerstammen, moet men de jacht in Indië dan ook meer als een vermaak opvatten, waaraan vooral hoofden en andere welgestelden het best tijd en kosten kunnen besteden; slechts hier en daar draagt zij door plaatselijke omstandigheden wel eens meer tot volksvoeding bij. Meer nog dan het jagen zelf is het stellen van vallen en strikken voor groot en klein wild van gewicht; de Indische stammen blijken hier zeer vindingrijk te zijn en het aantal hunner vangwerktuigen voor allerlei soort van loopend en vliegend gedierte is inderdaad zeer aanzienlijk. Toch wordt ook hierdoor slechts zooveel wild verkregen, dat men van een regelmatige bijdrage in behoefte aan vleeschvoeding niet spreken kan."
- zeilboten,
- schoolplaten
- omstreeks 1912





