Ga direct naar de content

Schoolplaat 83. Vischvijvers op West-Java

Haarlem, omstreeks 1912

Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "83. Vischvijvers op West-Java.” Linksonder: Kleynenberg & Co, Haarlem.” Blik op een door palmbomen omgeven visvijver in een dorpsgemeenschap. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Dr. A.W. Nieuwenhuis: "Onder de volkeren van den Indischen Archipel volgt de visscherij als middel van bestaan en om in dagelijksch voedsel te voorzien in belangrijkheid onmiddellijk op den landbouw en de veeteelt. Vindt men bij deze betrekkelijk primitieve hulpmiddelen, bij de visscherij is dat in geenen deele het geval. Zondert men onze modernste vischwijzen met stoomschepen en schietgeweer uit, dan kan het vischtuig in den Archipel het vergelijk met het onze best doorstaan. Op dit gebied hebben deze eilanders dus een ontwikkeling bereikt, die de onze evenaart en dit zien wij niet alleen onder de hooger ontwikkelde Maleiers, maar ook onder de Papoea's der kuststreken van Nieuw-Guinea heerschen overeenkomstige toestanden. Dat ook de centrale stammen der Groote Soenda-eilanden dergelijke vischwijzen bezitten, wijst op de oorspronkelijkheid harer ontwikkeling onder de Maleische stammen. In 't algemeen komen hunne soorten van vischtuig met de onze overeen, maar zij bezitten die in een zeer groote verscheidenheid, wat van eene bijzonder ontwikkelde vindingrijkheid getuigt. Bij hun vele vormen van hengels, zetlijnen, zegens, zinknetten, kantschakels, schoolnetten enz. kan men die overeenkomst met de Europeesche en hun veelvormigheid vaststellen; hetzelfde doet zich voor bij de fuiken en stolpmanden. Daarnaast bestaan in Indië nog eigen wijzen van visschen met harpoenen, werpspietsen, pijlen met weerhaken, elgers en pijl en boog, de laatste vooral in 't Oosten. Zij verschillen alle naar gelang van de landstreek in vorm. Bij het gebruik van werpspietsen en pijl en boog weten de Inlanders met bijzondere behendigheid de ware diepte, waarop de visschen zwemmen, in rekening te brengen. Twee wijzen van visschen vereischen eene afzonderlijke vermelding, vooreerst die met staketsels of sero's en die met vischvergif. Onder de eerste verstaat men een soort van doolhoven, die aan de zeekust of in breede riviermondingen op ondiepe plaatsen van bamboelatten of ander materiaal worden apgericht. Zij loopen in vorm nogal uiteen, maar meestal vertoonen zij eenige half ineengeschoven en aan elkaar sluitende V's met open punten, de vleugels uiteengebogen en wijd uitstaande. Door lange palissadeeringen wordt de visch gedwongen in de richting van de eerste V-vormige kamer te zwemmen, door welker open punt zij in de tweede komt, van waaruit de terugweg moeilijk is; een spleet aan de punt voert de visch in de derde kamer en zoo voorts tot in de geheel gesloten laatste. Met schepnetten kunnen de visschers hun buit hieruit halen. Deze sero's zijn door geheel Indië verbreid. Een vroeger ook hier bekend visschen is dat met vergif. Waar de regeering het niet als op Java en Soematra tegengaat, doet men het overal en talrijke soorten van plantaardige vergiften worden daarbij gebruikt. Zoowel wortels van planten als basten van boomen zoekt men daarvoor uit het bosch of verbouwt die planten zelf. In den drogen tijd bij laag water worden deze murw geklopt en dan in het stroomende water uitgewasschen, waardoor de bedwelmende stoffen zich erin verbreiden en alle aanwezige visch, de grootste het laatst, half bewegeloos doen boven drijven. De visschers, veelal met vrouwen en kinderen scheppen ze dan op en verkrijgen zoo zonder veel moeite een overvloed aan visch. De vischstand wordt er echter door verwoest, omdat in de eerste plaats de kleine jonge vischjes vernietigd worden. Vandaar dat de regeering dit visschen zooveel mogelijk tegengaat. Door gebrek aan gegevens kan de opbrengst der visscherij in geheel Indië moeilijk geschat worden, maar bedraagt toch zeker vele tientallen millioenen gulden. Zeeën, rivieren en andere wateren zijn in Indië vischrijk en talrijk zijn daarnevens ook de andere waterdieren, waarop voor voedsel of andere doeleinden wordt gevischt, als paarlen en paarlmoer, zeekomkommers, schildpadden en hunne eieren, schelpdieren, zeepaardjes, zeewier en andere zeeplanten. Van walvisschen, potvisschen en haaien, die in zee wegens de traan en eetbare vinnen worden achtervolgd, tot de kleine riviervischjes toe, alle vinden bij de Inlanders hunne eigenaardige aanwending. Zooals in het heete klimaat begrijpelijk is, moet de gevangen visch spoedig voor bederf gevrijwaard worden, waarvoor men velerlei wijzen van zouten, drogen, rooken enz. in toepassing brengt. Zoo behandelde en ook versche visch worden op uitgebreide schaal door de Inlanders op hunne markten verhandeld en naar andere streken uitgevoerd. Door de massa der Inlanders wordt de visch slechts gekookt of uiterst eenvoudig toebereid genuttigd; zeer ingewikkelde toebereidingen zijn echter ook bekend genoeg. Ondanks de veelzijdige en vrij algemeene visscherij voldoet haar opbrengst bij lange na niet aan de behoeften der dichter bevolkte streken, als Java bijv. Vandaar dat jaarlijks een aanzienlijke hoeveelheid, vooral uit Siam, gezouten en gedroogd wordt ingevoerd; meestal bedraagt dit meer dan 30 millioen kilo per jaar voor 41/2 millioen gulden aan waarde. Plaat 83. De vischvijvers, hier afgebeeld, leveren een gewichtig middel van bestaan op, bepaaldelijk voor de Soendaneesche bevolking van West-Java. Reeds in oude tijden bestond deze kunstmatige vischteelt in vijvers op Java; men ontmoet haar trouwens tot onder de oorspronkelijke stammen als de Dajaks. Zeer verschillende soorten van zulke vijvers zijn bekend: zoetwater houdende, tijdelijke op sawah's en aan de zeekust die met zoutwater. Als meer oorsprankelijke vormen worden dan nog daarvoor kleine stroompjes geheel of grootere bij gedeelten afgedamd. Hoewel op alle grootere eilanden bekend, hebben zij hunne grootste verbreiding op Java; de visscherij in rivieren en plassen beteekent hier betrekkelijk weinig. Waar het maar eenigszins gaat, legt men in de Preanger zoetwatervischvijvers aan; de meeste Soendaneezen hebben kleinere voor hun eigen visch op hun erf, daarnaast grootere als de hier afgebeelde. Ook deze legt men aan als ondiepe vijvers met kleine dijken omgeven en van elkaar afgescheiden. Riviertjes leveren er versch water voor. Zij beslaan in de Preanger eene oppervlakte van ± 2500 bouws (0.71 H.A.). Het zijn een viertal karperachtige visschen, die in deze vijvers leven kunnen. Men teelt ze of slechts enkele maanden voor de Inlanders zelf of wel laat ze ouder en grooter worden voor de hoogere eischen stellende Europeanen, Chineezen enz. Zijn deze vijvers eenmaal aangelegd, dan bestaan verder de kosten slechts in het schoonmaken bij het uitvisschen en het laten afloopen van het water, bewaking tegen roofgedierte en dieven en het aanschaffen van vischbroedsel. De huisjes tusschen deze vijvers dienen als bergplaats voor gereedschap en als badhuisjes. Op de dijkjes kunnen ook nog boomen, die wat opbrengen, geplant worden, hier kokospalmen, welker vruchten in het midden der kronen te zien zijn. Een hoogst eigenaardige vischkweekerij drijft men in tijdelijke vijvers op afgeoogste natte rijstvelden. De Soendanees herstelt daarvoor de dijkjes, maakt den grond wat gelijk en laat daarop uit de waterleiding versch water tot een diepte van een paar voet invloeien. Bepaaldelijk worden jonge goudvischjes hierin geteeld, die in grooten getale daarvoor uit kuit verkregen en dan verhandeld worden. Op niet minder dan een 24000 bouws wordt deze visch als tweede gewas gehouden, voor de landbouwers een niet te versmaden bijverdienste afwerpende. In eenige maanden bereiken de goudvisschen eene voldoende grootte, om als voedsel te dienen. Alleen de aangeslibde stranden van Java's noordkust leenen zich op dit eiland voor den aanleg van zoutwatervischvijvers, 80 % daarvan in de residentie Soerabaja. Zij worden als vlakke vijvers uitgegraven, door leidingen uit zee met zoutwater gevuld en zijn dan als kweekplaats voor een soort visch geschikt. Uit zee als zaad verzameld, groeien deze kleine vischjes zeer snel van den opschietenden plantengroei en de uitwerpselen der zee- en andere vogels, die door bepaalde vruchtboomen op de dijken worden aangelokt. De oppervlakte der zoutwatervischvijvers op Java wordt op 80000 bouws geschat."

Type
schoolplaat
Onderdeel van
Oorlog, vrede en recht, Kolonialisme
Identificatie
220375
Trefwoorden
  • palmbomen,
  • vijvers,
  • schoolplaten
Materiaal
papier
Periode
  • omstreeks 1912
Locatie
Licentie
Erfgoedcollecties zijn meestal vanuit een Westers en koloniaal perspectief tot stand gekomen.