Ga direct naar de content

Schoolplaat 80. Drenken der Paarden van de Ombilienkolenvelden. Soemátra

Sumatera, omstreeks 1912

Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "80. Drenken der Paarden van de Ombilienkolenvelden. Soemátra.” Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” Op een terrein is een drinkplaats met betonnen drinkbakken. De bakken worden voorzien door leidingwater. Op het terrein wachten de vele paarden met hun berijder/oppasser om te kunnen drinken. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Dr. A.W. Nieuwenhuis: "De natuurlijke omstandigheden in den Nederlandsch-Indischen Archipel hebben de bewoners tot landbouwers gemaakt; evenzeer beheerschen die de verschijnselen bij de veeteelt. Waar, gelijk op de Groote Soenda-eilanden, de tropische regenwouden slechts langzamerhand door het ingrijpen van den mensch verdwenen zijn en grasvlakten eerst niet bestonden, daar kan het wel niet anders, of de veeteelt moest van den beginne af aan bij den landbouw zeer achter staan. Waar grootere onvruchtbaarheid van den bodem of ongunstiger klimaat eerder tot het ontstaan van grasvlakten aanleiding gaven, als op Madoera, de Bataklanden, de Kleine Soenda-eilanden en Zuid-Celebes, daar trad als gevolg van dien ook de veeteelt meer op den voorgrond. Bovendien begint de inlandsche landbouwer de waarde van het vee eerst bij den hooger ontwikkelden landbouw te gevoelen; bij den oorspronkelijken verbouw op tijdelijke velden maakt men noch van zijn trekkracht, noch van zijn mest gebruik. Op de over Java zoo sterk verbreide bevloeibare velden laat men aan het bevloeiingswater sedert eeuwen de rol over, ze door het afzetten van slib nieuw voedsel voor de planten te leveren; meest wendt men ze ook daar niet aan en trekdieren gebruikt men alleen in beperkte mate. Neemt men daarbij in aanmerking, dat het inzicht der bevolking in de eigenschappen der viervoetige dieren ook al niet grooter is dan in het wezen der planten en de waarde van goede verpleging en rationeele fokkerij niet wordt begrepen, dan verwondert het ons niet, ook op het gebied der veeteelt werkelijk primitieve toestanden te ontmoeten. Van verpleging is slechts zelden sprake, dikwijls ontbreekt zelfs stalling en veeltijds moeten de dieren hun voedsel geheel zelf zoeken. Men vindt in Indië paarden, runderen, varkens en gevogelte; reeds voor eeuwen zijn schapen en geiten er ingevoerd en nu vrij ver verspreid, vooral de laatste. Op plaat 80 zijn Indische paarden afgebeeld; zij behooren tot ponyrassen, die, oorspronkelijk uit Azië ingevoerd, nu inheemsch zijn op Soematra, Java, de Kleine Soenda-eilanden en Zuid-Celebes, terwijl zij vandaar worden ingevoerd in enkele kuststreken van Borneo en het overige Indië. Door Europeanen, rijke Inlanders en vreemde oosterlingen zijn in den loop der tijden heel wat paarden van het vaste land van Azië, uit Australië, ook wel uit Europa ingevoerd. De beste paarden werden vroeger in de Bataklanden, op Zuid-Celebes en de oostelijke Kleine Soenda-eilanden gevonden, in al welke streken de dieren als in het wild opgroeien en zich vermeerderen. Men houdt ze daar vooral voor den uitvoer, ook wel als rij-, draag- en slachtdieren, minder als trekdieren. Sedert de Europeanen tegen betrekkelijk zeer hooge prijzen de fraaiste exemplaren opkochten, zijn vooral deze in te grooten getale uitgevoerd en daardoor aan de fokkerij onttrokken en een sterke achteruitgang dier rassen is daarvan het gevolg geweest. Wel worden van daar nu nog vele duizenden paarden naar de volkrijkste streken op Java en Soematra, ook naar Singapore uitgevoerd, maar fraaie rij- en rijtuigpaarden, verder deugdelijke paarden voor het leger ontbreken daarbij meer en meer. Op plaat 80 geven de mijnpaarden van Sawah Loento een goed beeld van den gewonen pony. Het zijn kleine, gedrongen gebouwde, sterke dieren met groote hoofden, die bij weinig verpleging tegen zware vermoeienissen bestand zijn. Zij bezitten een korten stap, maar zijn vurig en taai, vertrouwbaar op de glibberigste bergpaden. Op Java verdwenen de voortreffelijke paarden uit Kedoe en Koeningan om dezelfde reden; ook zijn de regenten en vorsten niet meer als vroeger in staat, ten koste der bevolking groote stoeterijen te onderhouden. Het inlandsche paard is op Java nu kleiner en slechter gebouwd dan elders. Het doet daar dienst als rij-, last- en trekdier en wordt ook gegeten. Zoowel de regeering als particulieren stellen in den laatsten tijd pogingen in het werk, door het beschikbaar stellen van goede hengsten, het oprichten van stoeterijen, wedrennen enz. betere paarden in Indië te doen fokken. Van belang voor een goed begrip van de geestesrichting der Inlanders moet het geacht worden, aan een enkel voorbeeld te toonen, welk aandeel het bijgeloof op dit gebied aan de handelwijze der bevolking heeft. Geschikt daarvoor zijn de kenteekenen, waaraan de Javaan de goede eigenschappen van een paard meent te herkennen. Krachtig gebouwde dieren met goede beweging gelden bij hem ook meer dan de kleine en zwakke met stijve gewrichten. Om zulk een dier te waardeeren, daarvoor zijn hem andere goede en kwade teekens echter van veel meer belang: Is een paard over dag geboren, dan kan het onmogelijk goed zijn; onderzoekt men een merrie langs den rug, dan blijkt aan knobbeltjes daar, hoeveel mannelijke en vrouwelijke veulens zij werpen zal., Men onderscheidt op Java 39 soorten naar de kleur en deze wordt voor de deugdelijkheid van overwegend belang geacht. Van beslissend gewicht zijn verder de haarwrongen, die voor bepaalde goede en slechte eigenschappen bewijzend zijn. Gunstige wrongen naar de plaatsen en aantal van het voorkomen kennen de Javanen er 43, van de ongunstige 67. Bij de van groote verwaarloozing getuigende paardenstallen mag er geen in de richting noord-zuid geplaatst worden, het gebruik van onderscheiden houtsoorten daarvoor, ook van dat van zure vruchten, is van slechten invloed. Het bouwen dezer schuurtjes mag slechts op de van, oudsher gebruikelijke wijze geschieden. Ook bij de behandeling van gezonde en zieke paarden bestaan een menigte gewoonten, aan het bijgeloof ontleend. Runderen komen in Indië als huisdieren in twee soorten voor: het eigenlijke rund of sapi en de buffel of karbau. Het eerste stamt wel af van het op de Groote Soendaeilanden behalve Celebes voorkomende wilde rund, is in den loop der tijden wat van vorm veranderd en vermengd met Hindoe’sch vee. Ook het melkrijke Europeesche rund wordt sedert lang in enkele exemplaren ingevoerd en voor kruising aangewend. De buffel heeft zijn oorsprong van het Aziatisch vaste land."

Type
schoolplaat
Onderdeel van
Oorlog, vrede en recht, Kolonialisme
Identificatie
220372
Trefwoorden
  • kolenmijnen,
  • schoolplaten
Materiaal
papier
Periode
  • omstreeks 1912
Licentie
Erfgoedcollecties zijn meestal vanuit een Westers en koloniaal perspectief tot stand gekomen.