Schoolplaat 78. Tabakskerverij voor de inlandsche Markt. Paja Koémbo
Sumatera, omstreeks 1912
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "78. Tabakskerverij voor de inlandsche Markt. Paja Koémbo.” Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” Inlandse werklieden zittend op de grond voor een rietenhut(opslagplaats) aan het versnijden en drogen van tabaksbladen. De opgerolde tabaksbladen worden in een houder geplaatst en handmatig versneden. Uitgespreid op droogmatten wordt de versneden tabak verder gedroogd. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Dr. A.W. Nieuwenhuis: "Plaat 77 en 78. Levert het aanmaken van suiker voor menig inlandsch gezin een niet te versmaden bijverdienste op, niet minder is dat het geval bij den verbouw van tabak, waarop deze platen betrekking hebben. Hoewel de tabak uit Amerika afkomstig is en eerst door de Spanjaarden en Portugeezen in de 16e eeuw overgebracht moet zijn, planten alle inlandsche stammen van den Archipel die bijna zonder uitzondering aan. Zij telt als het ware onder hunne eerste levensbehoeften. Zoowel op Java als op Soematra leggen talrijke inlanders zich op het planten en bereiden van tabak toe. Op beide eilanden doen zij dit behalve voor eigen gebruik ook voor de inlandsche markt en den uitvoer naar de Buitenbezittingen. Vooral uit gebrek aan doorzettingsvermogen zijn de Inlanders niet in staat, om aan de tabakscultuur voor de Europeesche markt de aanhoudende en uitvoerige zorg te besteden. Deze laatste eischt groote, fijne, onbeschadigde bladen van bepaalde kleur; de Inlander gebruikt slechts fijn gekorven tabak, waarvoor de bladen ook beschadigd en wat wankleurig kunnen zijn. Alleen de flinke Madoereesche bevolking als die in Besoeki werkt regelmatig genoeg en met voldoende overleg, om tabak voor de Europeesche markt te verzorgen; de Javanen kunnen dat alleen, als zij er, gelijk dat in de Vorstenlanden kan geschieden, toe aangezet worden. Over het algemeen planten de Inlanders hun tabak op dezelfde wijze als de Europeanen dit doen; slechts besteden zij aan de planten heel wat minder zorg. Van een langdurig, ingewikkeld fermentatie-proces is bij hen ook geen sprake. Dat er echter onder hen zijn, die een degelijke tabaksteelt weten te drijven, daarvan getuigen deze twee platen. Voor verdere bijzonderheden van den tabaksbouw naar de behandeling van tabak onder ‘cultures’ in de derde serie verwijzende, zal ik hier alleen vermelden, wat ons deze platen van den inlandschen tabaksbouw leeren. De twee Menangkabau-Maleiers zijn hier blijkbaar aan het afsnijden der tabaksbladen en oogsten dus niet als in vroeger tijd de geheele tabaksplant in eens. Zij zijn dan ook reeds met de bovenste bladen bezig, terwijl de naakte stengels er op wijzen, dat de onderste reeds vroeger bij hun volgroeid zijn weggenomen werden. De bovenste konden toen nog doorgroeien. Verder zien wij de tabaksplanten regelmatig op rijen en opgehoogde ruggen staan, die door het aanaarden gedurende den groei gevormd moeten zijn. Door ze te toppen weet men de plant tot het vormen van groote, krachtige bladen te dwingen en ze alle van dezelfde hoogte te houden. Geen enkele heeft dan ook een bloemtros kunnen vormen, die anders het boveneinde van de plant siert. Alleen voor het winnen van zaad laat men de planten doorgroeien en bloeien. Hoewel de grond hier met wat onkruid bedekt is, heeft men toch blijkbaar ijverig gewied, want anders zou het de tabak zeker overwoekerd hebben. Voor de inlandsche tabak geldt evenals voor de door Europeanen geplante, dat zij bij voorkeur op vulkanische gronden goed groeit; vandaar ook wel, dat de bekende, betere tabaksoorten van Soematra vooral door de bewoners van het Barisangebergte geteeld worden. Paja Koembo is een hoofdplaats in het noorden der Padangsche Bovenlanden; de tabaksbouw vormt er een hoofdmiddel van bestaan. Na het oogsten der tabaksbladen rolt men ze in strooken pisangbladen, waarin ze verflensen en na 4 à 5 dagen tot geel verkleuren. Men ontdoet de bladen dan van de stelen en hoofdnerven, om ze dadelijk te kerven, gelijk dat op plaat 78 geschiedt, De gekorven tabak wordt in de zon of boven het vuur op bamboehorden gedroogd en daarbij 's nachts nog aan de inwerking van den dauw blootgesteld. De droge tabak verpakt men in den vorm van lempeng's van ± 1 pond in bamboezen manden, waarin ze stijf opeengedrongen nog wel een geringe broeiing ondergaat. In deze manden gaat de tabak naar de Buitenbezittingen. Eene dergelijke handelwijze volgen de Inlanders bijna overal. Op Java koopen de Chineezen deze tabak voor den uitvoer naar die streken op, waar de weinig ontwikkelde stammen ook zelf tabak planten, maar toch aan de ingevoerde de voorkeur geven. Ten deele werkt hiertoe ook mede, dat de inlandsche kooplieden met aromatische en welriekende stoffen aan die tabak bijzondere geuren weten te geven; ook de lichte fermentatie verbetert haar, terwijl bijv. de Dajaks hun bladen slechts drogen. Toch weten weer enkele stammen onder hen de tabak geuriger te maken, door ze stijf in groote bamboes te pakken. De inlandsche tabak dient voor pruimen, rooken in een soort van sigaretten en sirih kauwen. Met betrekking tot de akkers, waarop inlandsche tabak groeit, komen in aanmerking bevloeibare velden, vaste droge velden en tijdelijke op boschgrond. Deze laatste echter slechts in die streken, waar nog niet een dichte bevolking de bosschen heeft doen verdwijnen."
- werkplaatsen,
- schoolplaten
- omstreeks 1912





