Ga direct naar de content

Schoolplaat 74. Inlandsche Tuin met Cocosplukkende aap. Soemátra

Sumatera, omstreeks 1912

Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "74. Inlandsche Tuin met Cocosplukkende aap. Soemátra.” Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” Een plantentuin met o.a. kokospalmen. Een verzorger houdt de aap aangelijnd terwijl de aap naar boven klimt. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Dr. A.W. Nieuwenhuis: "Het klimaat en de bodem der honderden bewoonde eilanden van den Nederlandsch-Indischen Archipel geven behalve in het Zuid-Oosten aan een uiterst weligen plantengroei het aanzijn; als gevolg daarvan legde de bevolking zich op den landbouw als hoofdmiddel van bestaan toe en verkregen veeteelt, jacht, vischvangst, handel en nijverheid daarnaast een veel geringere beteekenis voor haar. Herdersvolken vindt men dan ook in onzen Archipel niet, zwervende jagers- en visschersvolken alleen in kleinen getale en deze bestaan ten deele nog door de landbouwende stammen in hun nabijheid. Nemen wij in aanmerking hoevele volkstammen met verschillende zeden op de vele eilanden onder sterk wisselende omstandigheden bijv. of in 't laagland of in 't gebergte leven, dan volgt daaruit vanzelf, dat men met de vele verschijnselen op dit gebied boekdeelen zou kunnen vullen. Toch berusten al die verscheidenheden op dezelfde grondslagen; vandaar dat deze hier in 't licht gesteld zullen worden. Daar de tegenwoordig in Indië ook voor de inlanders zoo gewichtige landbouw der Europeanen en de rijstbouw door Dr. J. Dekker behandeld zullen worden, blijft er hier voor de andere takken meer speelruimte. De inlandsche landbouw houdt zich voornamelijk met den verbouw van voedingsmiddelen voor eigen gebruik, dus in 't klein, bezig. Slechts bij uitzondering worden deze aangeplant, om geheel op markten verhandeld te worden. Het plantenrijk levert den Inlander alle gewichtige bestanddeelen zijner voeding en hij heeft daarvoor zoowel de zetmeelen suikerhoudende, als de vetten- en eiwitbevattende landbouwgewassen weten uit te vinden. Vooral in een zeer dicht bevolkt land als Java, waar dierlijk voedsel door de massa van het volk slechts weinig genoten wordt, komt het gewicht daarvan bijzonder uit. De op Java geteelde landbouwproducten komen in 't algemeen ook elders voor; onder de minder ontwikkelde stammen zijn zij echter minder in aantal en de laagst ontwikkelde, als de Papoea's, eten in gewone omstandigheden ook knolgewassen als kladi, die op Java slechts in geval van nood of als dierenvoedsel gebruikt worden. Naast de rijst eet men mais (vooral in minder vruchtbare streken) en knolgewassen; in het oosten van den Archipel komt de sago daarvoor in de plaats. Dit zijn de belangrijkste zetmeelhoudende voedingsplanten. Als vet- en eiwithoudende dienen naast vleesch- en vischvoeding de zeer vele boonensoorten; van deze bezitten bijv. de grondnootjes zulk een groot gehalte aan voortreffelijke olie, dat zij daarom ook naar Europa worden uitgevoerd. Dit geschiedt evenzoo met de sojaboonen, om slechts deze te noemen, die zich ook door een belangrijk eiwitgehalte onderscheiden. Talrijke soorten dezer gewassen worden in onderscheiden streken in velerlei varieteiten gekweekt, zoodat er van een uitvoeriger behandeling daarvan moeilijk sprake kan zijn. Overigens omvat de keuken der inlanders nog een lange reeks plantaardige producten, die half of geheel als versnaperingen zijn op te vatten en later ter sprake komen. Het zijn vooral vruchten en specerijen. Om de voedingswijze der Inlanders te kenschetsen, zou men die eenvoudig moeten noemen; op Java en in het Westen eten zij twee of drie malen daags gaar gestoomde rijst met wat Spaansche peper en zoo mogelijk wat verschen of gedroogden visch. Een groentesoep, eetbare soorten bladen in water gekookt, wordt daarbij ook veel gebruikt. Vleesch van runderen, karbouwen, geiten, schapen en kippen verschijnt veelal slechts bij feesten en op de tafels der welgestelden. Als gewone drank dient overal water; sterk suikerhoudende palmsappen worden versch en gegist ook gedronken, maar weinig, vooral wat betreft de gegiste. Misbruik van alcohol komt tot dusver in de echt inlandsche maatschappij weinig voor. Ook onder de hoogere standen is de levenswijze, wat voeding aangaat, in 't algemeen eenvoudig, al bestaat er op Java bijv. ook een zeer verfijnde spijsbereiding, waartoe ook de rijsttafel met haar talrijke gerechten behoort. In sommige streken bijv. in Midden-Soematra komt vleeschvoeding meer op den voorgrond. Onder de nog heidensche stammen worden huisdieren meestal slechts bij de trouwens veelvuldige offermalen geslacht. De jacht draagt bij de landbouwende stammen betrekkelijk niet veel tot de volksvoeding bij en staat hierin bij de vischvangst sterk achter. De Iandbouw wordt in Indië op velerlei soort van akkers gedreven, die in drie groepen te verdeelen zijn: vooreerst de kunstmatig bevloeide velden, op Java ook sawah genoemd; dan de vaste akkers, die met de onze vergeleken kunnen worden, en vervolgens de tijdelijke, die voor de nog woeste gedeelten van Indië kenmerkend zijn. De eerste zullen bij de rijstcultuur ter sprake komen. Zij zijn afgebeeld op plaat No. 5, 6, 81, 96, 98. Op de vaste akkers, die geregeld in gebruik blijven en bemest worden, plant men van de voedingsgewassen vooral mais, knolvruchten en boonen. Bij plaat 79 wordt over de tijdelijke velden gehandeld. Naast de grootere velden, die dikwijls ver weg liggen, spelen de erven zelf voor den aanplant in 't klein in de inlandsche huishouding een bijzondere rol. Men verbouwt er versnaperingen van allerlei aard als vruchten, suikerriet, specerijen, kauwmiddelen als sirihbladen en betelnoten, ook bloemen van allerlei aard. Plaat 74 geeft van zulk een tuin bij de woning eene voorstelling. Op den grond zijn de fraaie bladen van de kladi te zien; de knol ervan wordt gegeten en op Java door de Chineezen als varkensvoeder gebruikt (zie blz. 57). Daarboven breiden de pisangplanten hare Iange en breede bladeren uit; de tegenwoordig ook hier goed bekende trossen dezer vruchten hangen van uit de bladerkroon naar beneden, aan iederen stam een. Na het rijpen van dezen tros sterft de stam af en groeit er uit de wortels weer een nieuwe. Boven dat alles steken nuttige palmen hunne fraaie vederkronen met tot 4 à 5 M. lange bladen uit. Hunne wijze van vruchten voort te brengen blijkt het best aan die rechts, waar men ze tusschen de bladstelen opmerken kan. Op den voorgrond springen de eigenaardigheden van een palmstam, hier van een cocospalm goed in 't oog; van onderen wat dikker, verheft zich de stam overigens gelijkmatig en is over zijne geheele lengte van de litteekens der afgevallen bladen voorzien. Deze stellen de Inlanders in staat, den boom voor het plukken der noten te beklimmen. Om dit zware en gevaarlijke werk te vermijden, heeft men op Soematra inheemsche apen ervoor weten af te richten; deze zijn in staat de goede noten van den steel af te draaien en ze naar beneden te werpen. Zulk een aap is hier bezig den boom te beklimmen op bevel van zijn eigenaar, die hem aan de ketting heeft. Links staan veel dunnere palmen, lager dan de cocospalm; het zijn betelpalmen, waaraan de bij een sirihpruim gebruikte betelnoten groeien. Zij zijn ook aan den boom in 't midden te zien."

Type
schoolplaat
Onderdeel van
Oorlog, vrede en recht, Kolonialisme
Identificatie
220366
Trefwoorden
  • tuinen,
  • palmbomen,
  • plantages,
  • schoolplaten
Materiaal
papier
Periode
  • omstreeks 1912
Licentie
Erfgoedcollecties zijn meestal vanuit een Westers en koloniaal perspectief tot stand gekomen.