Schoolplaat 73. Bouwval van den Hindoetempel Mendóet. Java
Haarlem, omstreeks 1912
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "73. Bouwval van den Hindoetempel Mendóet. Java.” Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” De Mendóet gezien vanaf een grasveld. Een blik op een hoek van de rechthoekige tempel met de vele ornamenten en de trap met twee poortleeuwen. Op het eerste plateau liggen losse brokstukken van de vervallen tempel. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Dr. A.W. Nieuwenhuis: "Plaat 73 vormt eene aanvulling van de vorige; zij stelt ons in staat de bouwwijze en de versiering uit de Hindoeperiode op Java wat meer in bijzonderheden na te gaan. Deze Tjandi Mendoet was een boeddhistische tempel, zooals de daarin aanwezige Boeddha- en Bodhisatwabeelden evenals de uitwendige versiering aantoonen. Evenals de Boroboedoer is deze tempel gebouwd uit groote teerlingvormige steenen van een zeer poreuze trachiet-lava. De vorm van het 15 M. lange en breede gebouw was twintigzijdig met beurtelings binnen en buitenwaarts geopende hoeken en met een uitspringenden voet, in vorm geheel overeenkomend met het bovendeel van den oorspronkelijken voet van Boroboedoer, gerekend tot de bas-reliefs en dus bestaande uit een halfrond, eenige banden en een klokogief, door twee platte banden gedragen. Het dak verhief zich in pyramidalen vorm tot een hoogte van waarschijnlijk ruim 20 M. Om het gebouw liep een met behouwen steenen belegd en door een ringmuur omgeven terras met een aan dien van den tempel ongeveer gelijkvormigen voet. Dit terras was ongeveer 23 M. in 't vierkant en 6 M. hoog; aan de westzijde baande een trap van 14 treden den toegang en aan die trap sloot zich een andere van 4 treden, waarlangs men opklom tot de inwendige ruimte, die geen ander licht ontving dan door de nauwe deur. Die ruimte was vierkant, ongeveer 7 M. lang en breed en ging op een hoogte van 5 of 6 M. in een pyramidaal gewelf over, waarvan elke hoogere steen voorbij den lageren uitsprong op de wijze der poortgewelven van Boroboedoer een der daken van de Dieng-tempels. Aan de wanden waren zes nissen, met bloemwerk versierd en waarin men bij de ontgraving wel zes losse lotuskussens vond, maar geen spoor van de beelden, waarvoor ze ongetwijfeld bestemd zijn geweest. Doch de drie groote beelden aan den achterwand zijn schier ongeschonden bewaard gebleven. Hier waren namelijk links en rechts twee hooge steenen voetstukken aangebracht met fraai versierde zetels, eenigszins op antieke stoelen gelijkende; met den stoel en het voetstuk uit denzelfden steen gehouwen, zaten daarop 2,5 M. hooge Bodhisatwa-beelden als gewoonlijk met vrouwelijke en zachte gelaatstrekken en met ringen om armen en enkels en hooge tiara's uitgedost. Tusschen die beide staat een nog kolossaler, ongeveer 3,5 M. hoog, met neerhangende beenen zittend, met den zetel uit een stuk gehouwen Boeddha-beeld. Het heeft de handen in de houding als de Dhjani-Boeddha Vairotjana. De Bodhisatwa, rechts van den Boeddha gezeten, kenmerkt zich door het beeldje van Amitabha in 't hoofdtooisel als Padmapani, den beheerscher der wereld. Daar de ingang veel te klein is, om deze kolossale beelden te kunnen doorlaten, moet de geheele tempel om de beelden heen zijn gebouwd. De drie grootste buitenwanden van den tempel zijn door uitvoerig bewerkte beeldengroepen in hoog relief ingenomen. De veelvormige fguren, die hierop voorkomen, zijn een duidelijk bewijs, dat het Javaansch Boeddhisme den invloed van het Sjiwaisme in hooge mate ondervonden had. Van dezen tjandi zoowel als van andere geldt wat Yule's uit Madras geboortige bediende opmerkte: ‘Van binnen is de tempel boeddhistisch, van buiten hindoesch’. Aan de oostzijde bevindt zich een achtvormig vrouwenbeeld, dat in de handen vele der attributen van Doerga draagt. De beide andere zijden vertoonen vierarmige hoofdfiguren. Aan de kleinere muren staan in fraaie nissen Bodhisatwa-beelden met een zonnescherm boven 't hoofd, waaraan de vliegenwaaier verbonden is en steeds in de eene hand een langen bloemsteel houdend, die of in drie bloemen of in drie bolvormige knoppen eindigt. Aan weerszijden van den trap zijn aan den buitenkant veertien kleine bas-reliefs aangebracht; zij stellen waarschijnlijk boeddhistische vertellingen voor. Twee grootere eindelijk bevinden zich aan weerszijden van den ingang. Links ziet men op een zetel een fraai versierde vrouw, omgeven door twee boomen vol vruchten en een twaalftal spelende kinderen, waarvan eenige in de boomen klimmen. Rechts volkomen dezelfde voorstelling, maar een man op den zetel; zoowel zijn demonisch gelaat als de onder zijn zetel geplaatste potten maken het waarschijnlijk, dat met hem Koewera, de god des rijkdoms, bedoeld is, die ook door Boeddhisten veelvuldig werd vereerd. De vrouw kan zijn gemalin, sjakti, zijn. Beiden schijnen hier als goden van de vruchtbaarheid en den overvloed voor te komen wegens de vele kinderen en vruchten."
- tempels,
- schoolplaten
- omstreeks 1912





