Schoolplaat 70. Kerk School en Ziekenhuis der Christelijke zending te Pea Radja. Bataklanden Soematra.
Sumatera, omstreeks 1912
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "70. Kerk, School en Ziekehuis der Christelijke zending te Pea-Radja. Bataklanden Soemátra.” Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” Van bovenafgezien het terrein van de zendingspost met de kerk, school en het ziekenhuis. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Dr. A.W. Nieuwenhuis: "Plaat 70 brengt ons naar Noord-Soematra, meer bepaaldelijk naar de Bataklanden, waar het beschavingswerk der christelijke zendelingen zeer belangrijke uitkomsten heeft opgeleverd. In de westelijke en zuidelijke helft der Bataklanden wonen nu een 100.000 inlandsche Christenen; het hier afgebeelde Pea Radja is daarvan een der gewichtigste plaatsen. Het ligt in het hooge dal van Silindoeng, den bovenloop van de rivier de Batang Toroe. Nog in het midden van de vorige eeuw waagden zich nauwelijks enkele Europeanen onder dit in eeuwige veete en onderlingen strijd Ievende volk van menscheneters, die zich ook aan menschenoffers en koppensnellen, dus aan de ergste ontaardingen van hun animistisch geloof, schuldig maakten. Het vlakke, vruchtbare dal van Silindoeng op 1000 M. hoogte tusschen vrij hooge bergruggen gelegen (zie achtergrond) levert een sprekend bewijs van hetgeen eene vreedzame hervorming naar christelijke beginselen op geestelijk en maatschappelijk gebied zelfs in zulk een omgeving in korten tijd kon tot stand brengen. Er heerscht daar nu rust en vrede; de bovengenoemde wandaden leven nog slechts in de herinnering der ouden en in plaats van zich in afzonderlijke, goed versterkte rotsvestingen terug te trekken, woont de bevolking nu in open nederzettingen, die als even zoovele bosschages van vruchtboomen en bamboe door de vlakte verspreid liggen, zooals op de bovenste helft der plaat te zien is. In het rechtsche dorp vooral komen de huizen nog tusschen het geboomte uit. Onder bescherming der Nederlandsch-Indische Regeering heeft de Rheinische Missionsgesellschaft in Barmen in deze Bataklanden het verwonderlijk overwicht van hooger beschaafden over laagstaande volken praktisch in het licht gesteld evenals de Nederlandsche zendeIingen dit o.a. in de Minahasa deden. Weldoende en beschaving verspreidende onder deze alles vreemde schuwende, woeste stammen, wisten zij zich onder hen staande te houden en door school, hospitaal en kerk hen aan zich verbinden, te ontwikkelen en voor hoogere levensvreugde vatbaar te maken. Groote zendingscentra met hospitalen onder artsen bestaan er verscheidene in Nederlandsch-Indië, zooals te Modjowarno in Oost-Java, te Djokjakarta en Djapara in Midden-Java en elders; als onder lager ontwikkelde volken gevestigd staat dit te Pea Radja op zichzelf. Twee Duitsche artsen voeren in het ziekenhuis, dat op deze plaat den voorgrond inneemt, hun menschlievend bestaan. Van de 30000 in dit dal wonende christelijke Bataks worden er jaarlijks een 5000 aan dit hospitaal behandeld; daarbij komt de geneeskundige hulp, die andere zendelingen en hulpartsen nog verleenen, zoodat een 25 % der bevolking in een jaar tijdelijk ziek wordt. Voor de vestiging dezer geneesheeren was de sterfte in een gewoon jaar (1901) ondanks de hulp der zendelingen en het betrekkelijk gezonde, hooggelegen dal 31,7 ‰, in 1908 slechts 21,7 ‰ wel is dat vrij wat meer dan in Nederland met zijn 16 ‰ toch vormt het een grooten vooruitgang, door deze technisch-medische hulp verkregen. Sedert is men ook begonnen op eene gezondere levenswijze onder de Bataks te werken. Het ziekenhuis bestaat uit de verschillende grootere en kleinere gebouwtjes op den voorgrond; dus het zoo gunstig bekende paviljoensysteem werd hier toegepast. Zij zijn gedekt met houten dakplankjes en door ruime, reine erven en een stelsel van gemetselde goten omgeven. Schilderachtig liggen de overige woningen, de school en de kerk tusschen het ten deele nog uit palmen bestaande geboomte verspreid; de twee spitse torens op den achtergrond doen den christelijken aard van dit beschavingscentrum in dit oude kannibalenland uitkomen. Welk een zegen het zijn kan, wanneer door de bestrijding van het animistisch geloof bij den landbouw en het overige bestaan door ontwikkeling in christelijke richting betere toestanden geschapen worden, behoeft, na het daarvan vroeger verhaalde, zie I blz. 48, en na hetgeen verder volgen zal, geen betoog. Zulk een overtuigingswereld heeft echter een taai bestaan; de overblijfsels ervan in onze samenleving kunnen dat getuigen. Nu wij de tegenwoordig in Indië heerschende godsdiensten in hun belang voor de volksontwikkeling behandeld hebben, verdienen de oude Hindoegodsdiensten in hun gewicht als voornaamste beschavingsoorzaak der Indische volken zeker eene vermelding. Op Bali en Lombok zijn het de Baliers die deze godsdiensten nog belijden en ons dus een aanhoudspunt geven voor een inzicht in de oude Hindoetijden op Java, waarvoor ons schriftelijke oorkonden slechts zeer weinig opleveren. Naast hoogstwaarschijnlijk overeenkomstige toestanden op maatschappelijk en geestelijk gebied vinden wij op Bali en Lombok nog een beeldhouw- en bouwkunst als vroeger op Java, waarvan nu alleen de indrukwekkende bouwvallen van tempels, paleizen, terrassen enz. getuigen. Op godsdienstig gebied vertoont de Hindoebeschaving onder de Balineezen eene innige vermenging van de uiterlijkheden der Hindoegodsdiensten met de animistische overtuigingswereld der Maleiers. Onder de Baliers zijn de middelen van bestaan, vooral de rijstbouw, ook de nijverheid, hoog ontwikkeld. Politiek is of liever was hun samenleving in despotische rijken verdeeld; taal en schrift zijn onmiddellijk aan de Javaansche, dus middellijk aan de hindoesche ontleend. Bij het nasporen van den invloed der Hindoegodsdiensten in de samenlevingen van den Archipel valt het op, hoe weinig er van hunne hoog-philosofische en hoog-zedelijke bestanddeelen daarin is overgegaan. De Baliers ontleenden er aan hun tempels en hun Hindoepriesters uit de Brahmanenkaste; deze laatsten vervullen hunne plichten vooral bij lijkverbrandingen, bij algemeene feesten; zij verrichten er dan de godsdienstige ceremoniën; zij bestudeeren heilige boeken, zijn rechters, maken amuletten, wijden wapens enz. In het dagelijksch leven wendt het zeer geloovige Balische volk zich onophoudelijk tot zijn animistische godenen geestenwereld, waarin nu veel Hindoenamen voorkomen; het doet dat echter op aartsvaderlijke wijze, hetzij door tusschenkomst van geheel onontwikkelde tempelwachters, hetzij door die van als bezield optredende personen uit het volk. De hindoesche hoofdgoden als Brahma, Wisjnoe, Sjiva, Agni, Indra enz. zijn het meestal bij namen zelfs niet bekend. Een dorpsgemeenschap bezit tempels voor de groote geesten der vulkanen en andere bergen, voor die van de zee, voor de godin der ziekten en des doods; de voor Bali zoo kenmerkende waterschappen bouwen die voor de goden van den landbouw en van het bevloeiingswater; de gezinnen bezitten afgeschoten tempels op hunne erven voor hunne gezinsgoden. Al deze tempels bestaan in open, ommuurde ruimten, waarin grootere of kleinere, van daken voorziene nissen, die als altaren en tijdelijke verblijfplaatsen der geesten dienen. De tempels munten dikwijls door hunne hoogst fraaie gevels uit."
- scholen,
- kerken,
- ziekenhuizen,
- schoolplaten
- omstreeks 1912





