Schoolplaat 66. Dans van als geesten verkleede mannen. Dajaks
Kalimantan, omstreeks 1912
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "66. Dans van als geesten verkleede mannen. Dajaks.” Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” Op het woonerf voor de hoge paalwoningen van de Dajaks dansen de in palmvezels met veren getooid gemaskerde mannen. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Prof. Dr. A. W. Nieuwenhuis: "Plaat 66. Bij een Iandbouwend volk als de Dajaks behoort de rijstbouw tot de eerste Ievensbelangen van een stam; geen wonder dus, dat het voIksgeloof talrijke voorschriften bevat, om dien tot in kleinigheden ten genoege van de geesten en goden te doen verloopen. Niet alleen komen die van de lucht, het land en de beschermende hoofdgoden daarbij op den voorgrond, maar in 't bijzonder ook de ziel van de rijst zelf. Hoe belangrijk de rol van deze is, blijkt het best uit het gevoelen van een Dajaksch hoofd, dat als oorzaak der slechte oogsten in de laatste jaren de afwezigheid der rijstzielen bij zijn stam opgaf. Zijn huis en rijstschuren waren te voren door een vijandigen stam verbrand en de rijstzielen toen gevlucht en nog niet in grooten getale teruggekeerd. Verlies van rijstzielen op andere wijze sleept eveneens groot nadeel voor een Dajaksche nederzetting na zich. Toch voorkomt men dat moeilijk, want door het eten van rijst door herten, apen, vogels en ander wild, door het uitvallen op het veld, door verlies onder weg enz. komt niet alle rijst van het veld in de rijstschuren. Door tal van offers en ceremoniën worden de rijstzielen tot blijven genoopt, maar toch acht men het van gewicht, ook de rondwarende zielen der verloren gegane rijst naar den stam terug te halen. Innig overtuigd, dit als menschen niet te kunnen doen, kennen zij dit vermogen aan hunne geesten toe en gelooven daartoe ook in staat te worden, als zij door verkleeding de rol van geesten op zich nemen. Dit is de beteekenis van den geestendans op plaat 66. Als schrikkelijke wezens schildert men zich deze geesten af, als behept met alle angstwekkende eigenschappen. Zelf weinig behaard, wekt sterke beharing bij den Dajak afschuw op; vandaar dat de geesten baard, knevel en beharing van het lichaam moeten bezitten. Door omwoeling van hun lichaam met uitgerafelde pisangbladen bootsen de jonge mannen dan die sterke beharing na. Verder monsteren zij zich uit met een masker, waarin zeer groote oogen, vervaarlijke slagtanden, een lange baard en hoofdhaar, ook nog nagemaakte houten tijgertanden in de gestileerde ooren, die kenmerken van groote dapperheid. Een zwaard en een strijdmuts, met de staartveeren van den neushoornvogel versierd, waartoe alleen de dapperen gerechtigd zijn vullen dit beeld der verschrikkingen aan. In hun rol van geesten mogen de mannen niet spreken, of zij zouden dood neervallen. Zij dansen in de eerste plaats op de maat van gongs, die zeer juist moeten geslagen worden op gevaar af, hun pogingen te doen mislukken. Deze bereiken haar hoogtepunt, wanneer de deelnemers zich achter elkaar plaatsen, elkaar als tot steun de hand reiken en de hoofdman dan met een houten haak in de lucht schermt, om eruit iets naar zich toe te halen. Hier heeft de dans des middags op het pleintje tusschen de huizen op den achtergrond en een rijstschuur links plaats, onder de levendige belangstelling der zich in het huis en onder de rijstschuur bevindende menigte. Het kan hier wel niet de plaats geacht worden, het wezen van het Mohammedanisme te beschrijven; voor hen, die daarvan een door bevoegde hand geschreven schets wenschen, zij verwezen naar ‘De Islam’ door C. Snouck Hurgonje, Hollandia-Drukkerij, Baarn 1912. Enkele bijzonderheden met betrekking tot den Nederlandsch-Indischen Archipel zullen hier opgegeven worden. In een land als Indië, waar verreweg het grootste deel van het volk uit analphabeten bestaat, is het niet te verwachten, dat een uitgebreide kennis van dezen godsdienst en de daarop betrekking hebbende geschriften meer dan bij zeer enkelen voorkomt, en zelfs is het aantal van hen, die zich op het verstaan der grondbeginselen der heilige wetenschap toeleggen, betrekkelijk zeer gering. Dezen vormen een stand van schriftgeleerden, die zoowel privaatgeleerden als leermeesters (goeroe) zijn. Naast hen staan de godsdienstbeambten, die zich met alles, wat men het ceremonieel van den Islam zou kunnen noemen, bezighouden. Tot hen behooren de moskee- of missigitbeambten met verschillende betrekkingen als hoofd van het moskeepersoneel, voorganger bij het gebed, huwelijkssluiter (op Java); zij houden zich bezig met de ritueele slachting van het vee, de lijkwassching enz. Aan de voornaamsten onder hen komt ook het uitoefenen der geestelijke rechtspraak toe, die zich in hoofdzaak tot huwelijks- en erfenisaangelegenheden bepaalt. Het vervullen van hun geestelijk ambt sluit niet in zich, dat zij een beter inzicht in het wezen van den Islam bezitten, of wel zich op de studie daarvan toeleggen. Dikwijls staan zij daarin niet veel hooger, dan de massa van het volk. Hetzelfde kan van de hadji's getuigd worden, van hen, die de bedevaart naar Mekka gedaan hebben. Verreweg de meesten van hen keeren vandaar met weinig anders dan met wat meer levenswijsheid terug; energieke personen ondernemen echter het lichtst de bedevaart, vandaar dat er onder de hadji's velen voorkomen, die zich in de inlandsche maatschappij op den voorgrond weten te plaatsen. Inniger met den mohammedaanschen godsdienst in verbinding staande vereenigingen zijn de geestelijke broederschappen, die zich op het beoefenen der mystiek van den Islam toe leggen. Aan het hoofd daarvan staan voorgangers, die een zeer grooten invloed op de vele leekelidmaten onder de Inlanders kunnen uitoefenen. Meer uitvoerig godsdienstonderwijs wordt door de schriftgeleerden gegeven; dezen bezitten of leiden daarvoor afzonderlijke scholen of, als zij aan een missigit verbonden zijn, houden die bij deze. Op Java komen deze scholen veel voor; op Soematra worden die in de Padangsche Bovenlanden het meest bezocht. In bijna iedere belangrijke plaats aldaar vindt men zulk een godsdienstschool of soerau (plaat 68). De godsdienstoefening onder de Mohammedanen is persoonlijk of gezamenlijk. De laatste wordt meest in bedehuizen, masdjid of missigit en in eenvoudige dorpskerkjes, op Java langgar, verricht."
- schoolplaten
- omstreeks 1912





