Schoolplaat 61. Bevloeiingswerken op Java
Jawa, omstreeks 1912
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "61. Bevloeiingswerken op Java”. Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” In een open landschap ligt een irrigatie- watervoorzieningssluis met het pompgebouw en een sluis met bedieningswielen/-sturen voor de sluisdeuren. Rondom en op de brug werken, hangen of poseren mensen. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van L. A. Bakhuis: "Platen 59 tot en met 62 Bevloeiingswerken op Java. Onder bevloeiing of irrigatie verstaat men het kunstmatig aanvoeren van water ten behoeve van den landbouw, het stelselmatig verdeelen daarvan over de velden en het behoorIijk afvoeren van dat water, nadat het zijn dienst heeft gedaan. Overal toegepast, in alle tijden, in alle klimaten en bij alle cultures, is zij vooral in Indië, waar de rijst het hoofdvoedingsmiddel van de bevolking is en dat gewas voor zijne ontwikkeling veel meer water noodig heeft dan andere gewassen, van bijzondere beteekenis. De ondervinding toch heeft geleerd dat - globaal genomen - elke bevloeibare bouw (7096 M².) voor rijstbouw noodig heeft een waterverbruik van 1 Liter per seconde (1.43 L. p. H.A.), terwijl men voor suikerriet rekent op 1/3, voor mais en katoen op 1/4 en voor peulgewassen en aardvruchten op 1/3 à 1/4 van die hoeveelheid. Neemt men voorts in aanmerking de groote vermeerdering der bevolking en de eischen der zich steeds uitbreidende Europeesche landbouwnijverheid (vooral de suikerrietteelt), dan is het duidelijk, dat de irrigatie in den laatsten tijd in Indië een van de belangrijkste onderwerpen van staatszorg is geworden. Niet alle wateren zijn voor bevloeiing geschikt te achten, zoo b.v. het water dat na zware regens uit het kratermeer van het Idjen-gebergte (Banjoewangi) stroomt en dermate met zwavelzuur bezwangerd is, dat de daarvoor aangelegde sluiswerken met zwavel in plaats van met mortel gemetseld zijn moeten worden. Dit water zou geheel onbruikbaar zijn voor irrigatie, indien zich niet de gunstige omstandigheid voordeed, dat er in de nabijheid een kleine rivier bestaat, die water afvoert dat sterk alkalisch is; door oordeelkundige vermenging van het water uit het meer met dat uit die rivier, dat door een inlandsche sluiswachter, van het noodige lakmoespapier voorzien, geschiedt, wordt bruikbaar neutraal bevloeiingswater verkregen. De bevloeiing kan geschieden met water, dat in vijvers of vergaarbakken (wadoeks) is verzameld, dan wel uit rivieren. De meeste reservoirs worden gevormd door dalafsluitingen door middel van aarden dammen; de capaciteit blijft in den regel ver beneden 1 millioen M³.; soms worden ook wel in de vlakte lage gedeelten of oude rivierarmen omdijkt, die bij hooge waterstanden volloopen en dan door een sluisje worden afgesloten. Deze wijze van bevloeien is echter gebrekkig; meer algemeen wordt door de bevolking de bevloeiing uit rivieren toegepast; toen zij daarbij - zooals vroeger algemeen het geval was - aan zich zelve was overgelaten, ging zij, vooral in de vlakte, primitief te werk; de rivier werd eenvoudig opgedamd en daarna werden een of meer leidingen gegraven, waardoor het water de te bevloeien velden bereiken moest. Tegen zwaren arbeid zag men echter niet op; dit blijkt b.v. uit een in de verhandelingen van het Kon. Instituut van ingenieurs, jaargang 1867-1868, opgenomen lijstje van 18 in de afdeeling Malang (Residentie Passoeroean) door de bevolking onder leiding van hare hoofden en van de Europeesche bestuursambtenaren aangelegde dammen, waarvan de grootste, met een lengte van 1500 Rijnl. voet en een hoogte van 150 Rijnl. voet, 810000 dagdiensten zou hebben gevorderd. In het gebergte ging men anders te werk; daar werd en wordt dikwijls nog soms kilometers bovenstrooms van de te bevloeien velden in de rivier een lage dam gelegd, dikwijls slechts bestaande uit een rij groote steenen, of uit met steenen gevulde korven en dan zoo horizontaal mogelijk in den ravijnwand eene leiding gegraven, zoodat geleidelijk het oeverterrein genaderd werd; aangezien echter van geen waterpassing gebruik werd gemaakt, gebeurde het dikwijls dat de te bevloeien velden niet bereikt werden en het werk voor niets was geschied; men behielp zich dan soms door den dam te verhoogen, maar liep daarbij meer weer kans dat deze bij een overstrooming wegsloeg. Dat overigens den inlander geen vernuft kan worden ontzegd in het uitdenken van middelen om zijn velden van water te voorzien, blijkt wel uit hetgeen in Sumatra's Westkust -dikwijls wordt toegepast. Waar de aanleg van dammen in diep ingesneden rivieren met vlakke oevers te veel bezwaren zou opleveren, ziet men daar dikwijls langs beide oevers een reeks van uit bamboe vervaardigde waterwielen - zelfs van 10 meter middellijn - die onderaan door den stroom in beweging worden gebracht en daaruit water opscheppen in schuin op hun buitenomtrek geplaatste bamboezen kokers, die, wanneer zij tot boven doorgedraaid zijn, hun inhoud in een opvangenden hollen boomstam storten, waaruit door leidingen het water over de velden wordt verspreid. Het spreekt echter vanzelf, dat de door de bevolking aangelegde dammen, samengesteld als zij waren uit aarde, boomstammen, los opgestapelde rolsteenen en dergelijke materialen, weinig weerstand konden bieden aan zware bandjirs (overstroomingen), zoodat ze telkens vernieuwd of hersteld moesten worden en in dien tusschentijd de velden verstoken waren van water, dat ze dikwijls dan juist zoo hoog noodig hadden, hetgeen dan weder tot misoogsten aanleiding gaf. Aan den zwaren druk, die hierdoor op de bevolking werd gelegd, kwam men van gouvernementswege tegemoet door het verschaffen van technische hulp; afdoende was deze echter in den aanvang niet, aangezien men zich toen meestal bepaalde tot het vervangen van die dammen door steenen overlaten of sluizen zonder voldoende met het regime van de rivier rekening te houden en zich door volledige terreinopnemingen te vergewissen of de plaats van aanleg wel de juiste was, enz.1) Eerst nadat in 1885 aan een deel van het Departement der Burgerlijke Openbare Werken uitsluitend tot taak was gesteld de volledige voorbereiding der bevloeiing van alle gouvernementsgronden, die voor den rijstbouw in aanmerking kwamen, waartoe het het eerst had ter hand te nemen de verbetering van bestaande gebrekkige waterleidingen, daarna de bevloeiing van daarvoor vatbare terreinen in zwaar bevolkte streken en ten slotte de irrigatie van braakliggende of woeste gronden in weinig of niet bevolkte streken, kwam de irrigatie op wetenschappelijken grondslag te rusten en kwamen de groote bevloeiingswerken tot stand, waarop onze Indische ingenieurs met trots mogen wijzen en waarvan o.a. de platen 59 t/m 62 getuigenis afleggen. Ter bekoming van eene op wetenschappelijken grondslag berustende irrigatie gaat men gewoonlijk als volgt te werk. Na door eene opneming een overzicht van het geheele bevloeiingsgebied te hebben gekregen, wordt het punt van de rivier bepaald, waar de aftapping (prise d'eau) plaats zal hebben. Aangezien de waterspiegel meestal te laag ligt, om het irrigatiegebiedteirrigeeren, zal dit punt of hooger de rivier op moeten worden gezocht, totdat de aftapping hoog genoeg ligt, of wel de waterspiegel zal moeten worden verhoogd door een dam of stuw in de rivier. De eerste methode wordt gewoonlijk gevolgd, omdat die geen kunstmatige verandering brengt in het regime der rivier, zooals bij een dam of stuw wel geschiedt. Van de prise d'eau uit wordt daarna een kanaal gegraven dat, minder hellend dan de rivier, in het rivierdal stijgt; (plaat 60 en 61) dat kanaal (het hoofdkanaal genoemd) verdeelt zich in een of meer kanalen van minder vermogen (secundaire leidingen) - plaat 62 - waarvan weder tertiaire leidingen uitgaan, uit welke de eigenlijke bevloeiing plaats heeft. Na zijn dienst te hebben gedaan wordt het water verzameld in slooten, die zich vereenigen en ten slotte in afvoerkanalen overgaan, die hun monding benedenstrooms weder in de rivier hebben. Ontmoeten de leidingen zijrivieren of andere kanalen, dan worden die gepasseerd door brugkanalen (aquaducten - plaat 60), dan wel door hevelduikers (siphons). Indien de rivier vele vaste stoffen afvoert, voorziet men meestal het hoofdkanaal van een inlaatsluis en bouwt benedenwaarts daarvan een drempel in de rivier met nabij de inlaatsluis een zoogenoemde spuisluis om nu en dan de daarvoor bezonken vaste stoffen te kunnen wegspoelen (plaat 59, waar drempel, spuisluis en inlaatsluis met 5 openingen duidelijk te onderscheiden zijn). Waar de verdeeling van de kanalen plaats heeft, worden ook gewoonlijk sluizen en meetbakken geconstrueerd, waardoor men het in de hand heeft het water aan te wenden, waar men het het meeste noodig heeft, en tot de hoeveelheden, die vereischt worden. Aan de hand van deze beschrijving zal eene verklaring van de bij dit hoofdstuk behoorende platen weinig moeilijkheden meer opleveren. Plaat 59 vereischt geen toelichting meer. Plaat 60 biedt een gezicht op een gedeelte van het hoofdkanaal van de Pekalen-werken (Res. Passoeroean) met den daarlangs aangelegden rijweg, op de Pekalenrivier en op de daarover gebouwde brug met aquaduct. Plaat 61 stelt het kunstwerk Songgom van de Pemaliewerken (Res. Pekalongan) voor; bij dit kunstwerk vertakt zich het onverdeelde hoofdkanaal (capaciteit 36.6 M. p. sec.) in het Pemalie-hoofdkanaal en het Brebeshoofdkanaal. Vooraan ziet men het onverdeelde hoofdkanaal; rechts de drie openingen van de inlaatsluis van het Brebeshoofdkanaal; dan volgt een schotbalkloodsje, waarnaast de inlaatsluis ligt van de eerste secundaire leiding in het gebied van het Brebes-hoofdkanaal. De drie openingen in het midden van de plaat, waarover een brug ligt, vormen de overgangen naar het doorgaande Pemalie-hoofdkanaal, dat men nog over een vrij groote lengte volgen kan en op 4 K.M. van Songgom de Pemalie-rivier passeert door middel van de aquaduct Pontjol. Links op de plaat ziet men nog een spuisluis tot schoonspuiing van het hoofdkanaal. Op den achtergrond van plaat 62 ziet men een der secundaire leidingen van de Pategoewan-werken (Res. Passoeroean) met stortdammen en daarvoor eenige tertiaire leidingen met inlaatsluisjes en meetbakken. Op het oogenblik zijn nog in uitvoering 18 en in studie 3 groote irrigatiewerken, beoogende de bevloeiing van resp. 299000 en 156300 bouws. Aan aanleg en voorbereiding van bevloeiings- en afwateringswerken werden op Java ten koste gelegd in 1907 ƒ 2.007422 1908 ƒ 2.109587 1909 ƒ 2.043003 1910 ƒ 3.159219 en 1911 ƒ 4.149778. Naast verbetering en uitbreiding der bevloeiing zelve, was intusschen ook noodig de regeling van de verdeeling van het bevloeiingswater, opdat men niet individueel er van haalde, wat men krijgen kon, zij die de hoogstgelegen velden hadden het eerst. Te meer klemde dit voor de rivieren, die op zichzelf reeds weinig water hadden en voor de bevloeiing in den Oostmousson. Dit leidde er toe om in de stroomgebieden der belangrijkste rivieren van Java irrigatieafdeelingen in het leven te roepen, tot welker ressort behalve het dagelijksch beheer en toezicht op die waterverdeeling o.a. ook zou behooren het onderhoud der verschillende bevloeiingswerken. Java en Madoera zijn daarvoor verdeeld gedacht in 14 irrigatie-afdeelingen, waarvan er thans reeds definitief zes zijn opgericht en een zevende in voorbereiding is. Het waterbeheer omvat de regeling der voeding van de hoofdkanalen en de verdeeling van het water uit deze over de kleinere leidingen. Omtrent de wijze van verdeeling zijn in de verschillende irrigatie-afdeelingen gewestelijke regelingen getroffen, waarbij van verschillende beginselen is uitgegaan, maar die alle beoogen zooveel mogelijk te voldoen aan de wenschen der Europeesche landbouwondernemingen en der inlandsche landbouwers, voor zoover de beschikbare hoeveelheden water dit mogelijk maken. Ten slotte nog een woord over de rentabiliteit der irrigatiewerken. Deze is zeer moeilijk vast te stellen, aangezien in Indië niet, zooals b.v. in Italië, betaald wordt voor het gebruik van bevloeiingswater, doch dit gratis wordt verstrekt, zelfs als het Gouvernement zeer kostbare bevloeiingswerken heeft aangelegd. Het eenige, dat gevorderd wordt, is eene retributie van eigenaren van landbouwondernemingen, die bij de waterverdeeling belang hebben, en wel ter gedeeltelijke goedmaking van de aan het toezicht op de waterverdeeling verbonden uitgaven. Overigens bepalen zich de directe voordeelen in eene grootere landrente, die de inlandsche bevolking te betalen heeft, tengevolge van de verhooging der productiviteit van den bodem en van de vermeerdering van het aantal oogsten, terwijl daarnaast als indirecte voordeelen genoemd mogen worden de meerdere welvaart in het algemeen, zich uitende in toeneming van alle belastingen als bedrijfs-, rijtuig-, slachtsbelasting enz. en vermindering van directe financieele hulp als afschrijvingen van landrente tengevolge van misoogsten, verstrekking van zaadpadi bij oogstmislukking, reliefwerken, enz. 1) Een gunstige uitzondering; maken hierop de Brantaswerken (o.a. de stuwdam met beweegbare waterkeering te Lengkong) in de Res. Soerabaja, aangelegd van 1852-1858 voor ƒ 2.600.000 (de onbetaalde arbeid in heerendienst niet medegerekend), de Demaksche waterwerken die 71 millioen hebben gekost en eenige andere werken van geringeren omvang."
- irrigatiesystemen,
- bruggen,
- schoolplaten
- omstreeks 1912





