Schoolplaat 48. Petroleum - Boortoren
Haarlem, omstreeks 1912
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "48. Petroleum - Boortoren". Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” Zicht op de boorplek in de jungle waar olie wordt gewonnen. Vier mannen poseren voor een houten boortoren. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Dhr. L.A. Bakhuis: "Mijnbouw. Petroleum. Platen 47 en 48: Plaat 47 Petroleumbedrijf te Balikpapan. (Oostkust van Borneo). 1) Plaat 48 Petroleum-boortoren. Hoewel van de waardevolle delfstoffen die Nederlandsch-Indië in zijn bodem bevat de petroleum thans de voornaamste plaats inneemt, werd hare aanwezigheid eerst geconstateerd in 1863. Het vertrouwen in eene loonende exploitatie was toen echter nog zoo gering, dat eene in 1866 beproefde oprichting van eene maatschappij tot ontginning van petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië mislukte, omdat de bescheiden som van een ton, die er voor noodig werd geacht, niet bijeengebracht is kunnen worden. Thans staat de zaak geheel anders; in rijke vindplaatsen in Java, Sumatra en Borneo worden door tal van maatschappijen, waarvan de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot het exploiteeren van petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië - in de wandeling eenvoudig „de Koninklijke" genoemd - de voornaamste is, in exploitatie gebracht. De resultaten blijken uit de volgende cijfers. Ruwe olie-productie in Nederl.-Indië in tonnen van 1000 K.G. 1889 1892 1898 1899 1906 1907 1908 1909 1910 Java 205 11340 81163 86050 120932 127699 130194 140000 137500 Noord-Sumatra - 7017 271723 78696 347275 386024 419792 460976 395412 Zuid-Sumatra (Palembang - - 1235 34978 278320 327320 818803 357498 282673 Borneo - - - 31482 584979 489151 381049 456267 619655 Geheel Nederl. Indië 265 18357 354121 231206 1331499 1330694 1264898 1413741 1435240a) a) ca. 3.12 % van de geheele wereldproductie. Het gewonnen product wordt verkocht in alle oostersche landen doch niet verder westwaarts dan Alexandrië, omdat verderop de in Europa en Amerika gewonnen olie goedkooper verkocht kan worden. Maar zelfs in het natuurlijk afzetgebied van de Indische olie heeft men een zware strijd te voeren tegen de machtige Amerikaansche petroleum producenten, vertegenwoordigd door de Standard Oil Comp., die alles in het werk stellen om ook daar het monopolie te hebben. Deze strijd leidde van zelf tot eene nauwe aansluiting van de Indische producenten bij de machtigste onder hen, „de Koninklijke", die op haar beurt, om die strijd te kunnen volhouden, zich reorganiseerde door twee nieuwe maatschappijen: de Bataafsche Petroleum Maatschappij en de Anglo Saxon Petroleum Company Ltd op te richten, waarin zij zich een overwegenden invloed verzekerde door in beider kapitalen (resp. 80 en 50 millioen gulden) voor 60 % deel te nemen. Onder het algemeen toezicht van de Koninklijke is de arbeidsverdeeling thans de volgende geworden: de Bataafsche Petroleum Maatij. belast zich uitsluitend met het winnen der olie en het verwerken daarvan en de Anglo Saxon uitsluitend met het vervoeren van de producten naar de verschillende havenplaatsen. De verkoop geschiedt uitsluitend door de „Asiatic Petroleum Company", eene reeds in 1903 opgerichte combinatie tot het voor gemeenschappelijke rekening verkoopen der uit de ruwe olie verkregen producten. De petroleum wordt niet als zoodanig gevonden maar steeds als de zoogenaamde ruwe olie, een mengsel van koolwaterstoffen van zeer verschillend soortelijk gewicht, d.w.z van de lichtste benzine af tot het slechts voor brandstof geschikte zware residu, asphalt en paraffine, welke door distillatie van elkaar moeten worden gescheiden. De samenstelling is voorts niet altijd dezelfde; de olie van Borneo en Java bevat b.v. veel paraffine die men niet aantreft in de olie van Sumatra, doch die daarentegen veel rijker aan benzine is. Om de olie te voorschijn te brengen worden boringen verricht binnen successievelijk aan elkander geschroefde of geklonken buizen, die naarmate de boring vordert door eigen gewicht zakken. Raken deze buizen ten slotte zoo in het gesteente beklemd dat zij niet dieper kunnen zakken, dan wordt een nieuw stel buizen van iets kleiner diameter in de eerste serie gelaten en daarin de boring voortgezet tot ook die serie vastraakt en een derde noodig wordt. Zoo gaat men door tot eindelijk de oliehoudende laag, die soms eerst op 1000 M. en meer diepte wordt aangetroffen, bereikt is. Om de verschillende werkzaamheden, het aan elkander bevestigen van die bekleedingsbuizen, het op elkander schroeven en neerlaten van die buizen en van de stangen waaraan de beitel bevestigd is, enz. te kunnen verrichten, wordt boven het boorgat een boortoren (zie plaat 48) opgericht en daarnaast een machine opgesteld, die bij die werkzaamheden behulpzaam is en tevens dient om de beitel de vereischte slagen op het gesteente te laten geven. Wordt zoogenaamd spoelend geboord, dan is ook een krachtige pomp aanwezig om water op den bodem van het boorgat te spuiten en het losgewerkt gesteente naar boven te voeren. Is eindelijk een olielaag aangeboord, dan wordt de olie, na in een tank te zijn verzameld, door eene pijpleiding, die soms eene lengte bereikt van 150 K.M. en meer naar de raffinaderij geperst, waar zij in distilleer-inrichtingen verhit wordt. Door deze verhitting verdampen eerst de meest vluchtige (benzine) deelen, vervolgens de zwaardere (lichtpetroleum, smeerolie enz.), totdat tenslotte slechts het residu overblijft. Die dampen worden naar gelang van het soortelijk gewicht dat men verlangt, in koelinrichtingen gecondenceerd en de verkregen producten vervolgens in afzonderlijke tanks verzameld. Op plaat no. 47, voorstellende een deel van de door de Bataafsche Petroleum Maatschappij geëxploiteerde raffinaderij te Bagoes Koening aan de Moesi-rivier, zijn die tanks duidelijk zichtbaar; ze zijn allen door pijpleidingen (in het midden van de plaat zichtbaar) verbonden aan een pomphuis, van waaruit de verschillende oliën weder worden geperst naar de verschepingsplaats. Het gebouw rechts, waar de schoorsteen boven uitsteekt, is het ketelhuis dat de hitte voor de distilleer-inrichtingen (deze liggen nog meer rechts, daar waar stoompluimen zichtbaar zijn) levert. De brandstof is natuurlijk residu, die daarvoor geperst wordt uit de twee op ijzeren stijlen staande tanks in het midden van de plaat; het daarnaast liggend huisje is de bewaarplaats van brandbluschmiddelen en onmiddellijk daarachter liggen twee zoogenaamde agitatoren, dienende om de petroleum (Kerosine) te zuiveren en voor lampolie geschikt te maken. Het gebouw geheel links is een laboratorium, terwijl de op vorken steunende leidingen die men daarvoor en daarlangs ziet, allen stoomleidingen zijn, dienende om de zware oliën (smeerolie, residu, enz.) voldoende vloeibaar te houden om ze door de buisleidingen te kunnen persen. De Moesi-rivier is op den achtergrond even zichtbaar. 1) In de titel staat abusievelijk Balikpapan. Het moet Palembang zijn."
- boorinstallaties,
- schoolplaten
- omstreeks 1912





