Schoolplaat 43. Aanplant van Caoutchoucboomen (Hevea Brasiliensis)
Haarlem, omstreeks 1912
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "43. Aanplant van Caoutchoucboomen (Hevea Brasiliensis)". Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem.” Zicht op een perceel met Caoutchoucbomen. Een boom wordt afgetapt. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Dr. J Dekker: "Cultures. Caoutchouc. Platen 43 en 44: 43. Aanplant van Caoutchoucboomen. (Hevea Brasiliensis). 44. Het tappen van een Caoutchoucboom. (Hevea Brasiliensis). Gomelastiek zeiden wij in onze jeugd en nu spreken wij van „rubber", een Engelsch woord, dat betrekking heeft op de eigenschap dezer stof om potloodstrepen te kunnen uitwissen. Caoutchouc is nu een artikel, dat aller aandacht trekt, waarvan het aantal toepassingen niet te overzien is, waarmede heel de wereld zich bemoeit. Welk een tegenstelling tusschen den tijd, toen een beroemd Engelsch scheikundige als eenige toepassing wist aan te geven, dat het potloodstrepen uitveegt, en thans, nu de bloei van de automobielindustrie voor de banden een hoeveelheid caoutchouc noodig heeft, die gestadig stijgende is. Het is nog niet zoo lang geleden, dat caoutchouc gerekend moest worden tot de boschprodukten, d. w. z. tot die produkten, die niet van gekweekte, maar van in het wild, in het bosch voorkomende gewassen worden verzameld en nog komt het grootste deel van de caoutchouc uit de oerwouden van Zuid-Ameriha (hoofdzakelijk Brazilië). In de laatste jaren heeft men echter in Zuid-Oost-Azië, eerst op Ceylon en Malakka en later o. a. ook op Java en Sumatra, de caoutchoucplanten in cultuur genomen. Deze plantages dreigen nu gevreesde concurrenten te zullen worden van de Para-caoutchouc uit Brazilië. Ongeveer 40 jaar geleden wist een ondernemend Engelsch man eenige kiemkrachtige zaden machtig te worden van den boom, die de zoo gewilde „Para" leverde; deze werden in den botanischen tuin te Kew uitgezaaid. De verkregen planten werden naar Ceylon overgebracht en van daaruit is de para-caoutchoucboom (Hevea brasiliensis) in Azië verspreid. Deze Hevea is een wolfsmelkachtig gewas, waarin melksap voorkomt evenals in de wolfsmelksoorten, die in Holland groeien. Dat melksap van Hevea bezit echter een bijzonderheid van groot gewicht, n.l. dat het voor dikwijls meer dan de helft bestaat uit caoutchouc. Nu moet men niet denken, dat het alleen deze boom is die zulk caoutchouchoudend melksap bevat, want dat kom in een vrij groot aantal planten voor, doch in betrekkelijk weinig planten in bruikbare hoeveelheid. Zoo bevat bijv. het melksap uit paardebloemen een zeer geringe hoeveelheid caoutchouc, te weinig om er nu met voordeel uit afgescheiden te worden. Van de planten, die wel caoutchouc in winbare hoeveelheid bevatten, is voor ons wel de meest bekende Ficus elastica, omdat deze als sierplant in Europa gekweekt wordt. Dikwijls droevig uitziende kamerplanten zijn echter niet te vergelijken met hare soortgenooten in de tropen, waar deze gewoonlijk reusachtige afmetingen aannemen; wel kan men ook aan de kamerplanten opmerken, dat zij bij verwonding een zeer dik melksap doen uitvloeien, dat bij opdrogen een elastische stof achterlaat. In Nederlandsch-Indië worden van de caoutchoucleverende gewassen hoofdzakelijk Hevea en Ficus gekweekt. Daar het boomachtige gewassen zijn, worden zij op vrij grooten afstand van elkaar geplaatst, zoodat de planten elkander later niet in de ontwikkeling kunnen schaden. Hevea vormt dan een vrijwel rechtopgaanden stam, terwijl Ficus groote neiging tot vertakking toont. Om deze en verschillende andere redenen wordt tegenwoordig de voorkeur gegeven aan Hevea. De boomen worden met rust gelaten, tot deze ongeveer 5 jaar oud zijn; dan begint men ze te „tappen", d. w. z. men begint het melksap van de boomen te verzamelen. Dit melksap komt voor in den bast in lange kanalen (melksapvaten), die bij aansnijding van den bast geopend worden en dan het melksap doen uitvloeien. Door tal van proeven is men er achter gekomen, welke tapwijze de meest voordeelige is en vrij algemeen volgt men tegenwoordig daartoe de zoogenoemde vischgraatsnede, die duidelijk op de beide caoutchoucplaten is afgebeeld (Pl. 43 en 44). Een lange overlangsche geul wordt met een zeer scherpe holle beitel („guts") in den bast gesneden en links en rechts (of wel aan eene zijde: „halve graatsnede") worden daarop uitkomende schuinstaande dwarssneden aangebracht. Deze wonden mogen niet tot op het hout komen, daar anders het weefsel afsterft op die plaatsen en deze daardoor onvatbaar worden voor de melksapwinning. Door die dwarssneden worden de melksapvaten geopend, het melksap treedt uit, vloeit door de langssnede naar beneden1) en wordt onderaan opgevangen in een glazen bakje (zie Plaat 44). De wonden worden nagespoeld met water, om zoo weinig mogelijk melksap te verliezen. Al het zoo verkregen melksap wordt verzameld en in de fabriek bedeeld met azijnzuur (of een andere geschikte stof), waardoor een schifting intreedt. De caoutchouc scheidt zich dan als een witte kaasachtige massa af en wordt verzameld, gewasschen en in verschillende vormen gebracht. Tegenwoordig verkiest men veelal min of meer dunne vellen op de markt, omdat daarin de zuiverheid makkelijk te beoordeelen is; die vellen worden dan gedroogd, gesorteerd en - verpakt en verzonden naar de landen van bestemming. Zooals het produkt van de onderneming komt, is het nog voor weinig doeleinden geschikt. Het is dan wel in hooge mate veerkrachtig, maar deze eigenschap wisselt sterk met de temperatuur. Om hierin verandering te brengen wordt de caoutchouc „gevulcaniseerd", d. w. z. onder verwarming met zwavel bedeeld, waardoor een zeer veerkrachtig produkt ontstaat, dat ook bij afkoeling en verwarming zijne eigenschappen behoudt. Dit product wordt dan met andere stoffen gemengd en verwerkt tot banden voor automobielen en fietsen; toiletartikelen, speelgoed, gasslangen, enz. Wordt bij de vulkanisatie zeer veel zwavel toegevoegd, dan ontstaat een harde stof, eboniet, die eveneens een uitgebreide toepassing vindt, bijv. voor heften van chirurgische instrumenten. Caoutchouc is eene zeer dure stof, een K.G. grondstof wordt met verscheidene guldens betaald (in 1910 steeg de prijs zelfs boven ƒ 10,- per K.G.). Natuurlijk heeft dit geprikkeld tot het zoeken naar surrogaten en ook tot het zoeken naar een kunstmatige caoutchouc. Beide zijn nu gevonden; de kunstmatige caoutchouc is dus reeds ontdekt, maar heeft nu nog weinig beteekenis voor de industrie, terwijl het niet waarschijnlijk is, dat die beteekenis spoedig zal toenemen. Anders is dit met de surrogaten. Uit tal van stoffen (lijnolie, sojaolie, men spreekt zelfs van visch) heeft men caoutchoucsurrogaten verkregen en men heeft deze een afzetgebied kunnen bezorgen, meestal als bijmenging bij zuivere caoutchouc voor de vervaardiging van verschillende voorwerpen. Zoo worden uit de 75 millioen K.G. caoutchouc, die ongeveer de wereldproduktie vormen, meer dan 400 millioen K.G. eindprodukten verkregen. De beteekenis van de opbrengst der Indische plantages bij deze getallen is op dit oogenblik nog niet groot, maar lang zal het niet duren, voor ook Nederlandsch-Indië een aanzienlijk deel van de caoutchouc levert. Reeds meer dan 200 millioen gulden zijn in Indische caoutchoucondernemingen belegd; waaruit blijken kan, welk een omvang dit landbouwbedrijf in enkele jaren verkreeg. Een enkel woord zij hieraan toegevoegd over getah-pertja (gutta-percha), een stof die dikwijls met caoutchouc verward wordt. Deze getah-pertja nu wordt uit het melksap van weer andere gewassen gewonnen, maar is niet veerkrachtig. Wel kan men haar in warmen toestand vervormen: de stof is dus plastisch. De hoofdtoepassing van getah-pertja is tot nu toe de fabricatie van onderzeekabels, waartoe de stof zich bijzonder goed leent door haar hoogen weerstand tegen den electrischen stroom. Gewoonlijk wordt de getah-pertja verzameld in het wild; de eenige groote aanplant van getah-pertja-boonen bezit het Nederlandsche gouvernement op Java (te Tjipetir). Nog een andere stof is met caoutchouc en met getah-pertja verwant, n.l. balata, het product verkregen uit een boomsoort, die vooral in West-Indië voorkomt en daar aanleiding geworden is tot de ontwikkeling van een winstgevend bedrijf. De balata wijkt in eigenschappen van de beide reeds genoemde lichamen af en wordt in hoofdzaak gebezigd voor het vervaardigen van drijfriemen 1) Plaat 44 is gekozen om de buitengewone duidelijkheid van de tapsneden. Zij stelt echter een Hevea voor in W. Indië; de cacaoboom, midden op de plaat met de vruchten aan den stam, is voor Suriname een gewoon verschijnsel: in Oost-Indië worden gewoonlijk andere gewassen tusschen Hevea geplant, n.l. Robusta-koffie (zie Plaat 46), Manillahennep, coca, somtijds ook wel cacao."
- schoolplaten,
- plantages
- omstreeks 1912





