Ga direct naar de content

Schoolplaat 10. De vulkanen van de Tengger (Oost-Java)

Haarlem, omstreeks 1912

Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "10. De vulkanen van de Tengger (Oost-Java)". Linksonder: "Kleynenberg & Co, Haarlem." Vanaf een groen hogergelegen gebied zicht over een rivier en de vulkanen met hun kraters, een met rookpluimen. Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van J.F. Niermeyer: "De Tengger is vele malen beschreven en afgebeeld en wij konden niet beter doen dan een foto te reproduceeren, vervaardigd door de firma Kurkdjian te Soerabaja, die voor hare vulkaanfoto's terecht vermaard is. De reusachtige kratercircus heeft een elliptischen vorm, met assen van 11 en 8 K.M. De meeste afbeeldingen, die het geheel trachten weer te geven, worden genomen van een der lagere, gemakkelijk bereikbare punten van den omringenden wal, nl. van den Moenggal-pas (2355 M.), waarover de weg voert die uitgaat van Tosari, het bekende herstellingsoord, hoog op de buitenhelling gelegen, op 1780 M. Veel beter denkbeeld van dit samengesteld kratersysteem geeft echter deze plaat, genomen van het hoogste en noordelijkste punt van den wal, den Goenoeng Penandjaän, 2780 M. hoog. Vanhier ziet men 600 meters diep naar omlaag, op den volkomen effen bodem van „de Zandzee", door de Javanen Dasar (d. i. vlakte) genoemd, bedekt met donkergrijs vulkanisch zand, waaruit hier en daar kleine zwarte lavaklippen steken. In den drogen tijd waait het zand van de Dasar nu en dan op tot kleine duinen, en woestijnverschijnselen als zandhoozen en fata morgana doen zich voor. Uit deze Zandzee verheft zich in het midden een groep van vijf nieuwe eruptiepunten. Op den voorgrond zien we den zeer regelmatigen, tulbandvormigen Batok, 300 M. hoog, begroeid met gras en kleine tjemaraboomen 1) ertusschen, met een maar even ingedeukten schedel, een krater van slechts 10 M. diepte, geheel zonder werking. De eenige werkende berg van den Tengger is de links daarvan gelegen, geheel kale Bromo, genoemd naar de oppergodheid van het Hindoeïsme, Brahma, in wiens herinnering de berg nog altijd vereerd wordt door den stam der Tenggereezen, die de buitenhellingen van den Tengger bewoont. Van alle kraters van Java beantwoordt die van den ± 200 M. hoogen Bromo wellicht het meest aan de conventioneele voorstelling: een cirkelronde scherpe rand met zeer steile, naakte zandhellingen (40°-50°), die een trechter vormen. De rand heeft zijn hoogste punt in 't zuiden, het laagste, 100 M. lager gelegen, in 't noorden; de doorsnede bedraagt ongeveer 650 M. De trechter is heden ten dage 170 M. diep beneden het laagste punt van den wal. Fel werken steeds de solfataren (zwaveldampbronnen), op den kleinen kraterbodem gelegen, en uitbarstingen, waarbij zand en steenen worden uitgeworpen, komen vrij dikwijls voor. In de eerste helft der 19e eeuw (verder gaat de statistiek niet terug) waren ze heviger dan daarna, iets dat bij meer vulkanen van Java is waargenomen. Ze werden echter afgewisseld door langere perioden van geheele rust, zoodat zich van 1835 tot '42 een meer op den kraterbodem vormde. Dat meer, eerst blauw van kleur, begon in 1841 groenachtig te worden, verspreidde een reuk van zwavelwaterstof en scheen te koken, en in het volgend jaar had een uitbarsting plaats, waarbij het meer werd uitgeworpen. In 1848 was het opnieuw aanwezig, maar sedert heeft men het niet meer waargenomen. Terwijl het bovendeel van den Bromomantel uit mul zand bestaat en nagenoeg geen ravijnen heeft, zijn daarin meer omlaag ondiepe kloven met zeer vlakken bodem gegroefd en is het zand op de ribben verhard. Over den Bromo ziet men in een derden krater, Segara wedi lor, en daarachter ligt een vierde langwerpige, de Segara wedi kidoel. Deze namen beteekenen noorder en zuider zandzee, en het zijn inderdaad zandzeeën in het klein. De rand van den laatsten heet Widodaren. Daarachter is op de plaat de donkere, begroeide buitenwal van den Tengger-circus te onderscheiden. Rechts boven deze verrijst de onregelmatige vulkaanruïne Ajek-ajek-Djambangan en daarboven eindelijk, in het midden, de trotsche zeer regelmatige kegel van den Smeroe, Java's hoogste bergkolos (3670 M.) en tevens een der meest werkzame. Gewoonlijk stoot hij ongeveer om het kwartier een aschwolk omhoog, met steenen vermengd, die als een reusachtige „bloemkool" tegen de lucht staat. Ontbreekt de bloemkool eenigen tijd, dan beginnen de bewoners der hellingen, op welke in 't ZW. en Z0. vele koffielanden gelegen zijn, ongerust te worden. Meestal volgt dan een zwaardere eruptie, waarbij somtijds een lavastroom den kraterwand doorbreekt, die zich daarna langzaam weer opbouwt. Wat het meest op den Tengger treft, dat is de indruk van kaalheid en doodschheid van het kraterpanorama, in sterk kontrast met den weelderigen rijkdom der buitenhellingen. „Koud en genadeloos wreed blikt het vaalgrauwe woestijn- gelaat op ten hemel, uit de donkere afgronddiepte daar ver, ,,ver beneden.... ,,Het ligt daar zoo gansch droef verloren, onverbiddelijk en „onherroepelijk, in een sombere, genadelooze ommuring van hooge „rotsgevaarten-alom. Als donkere, gigantische wachters staan „aan alle zijden de resoluut rijzende, steile bergwanden, wakend ,over dat vale, veege dal des doods. . . . . . . . . . . „Nu even omzien, met den rug naar den grauwen afgrond, ,naar den kant vanwaar we zijn gekomen. Daar liggen de „golvende bergkammen, on de ravijnen ; daar blinken de prachtige „dessa's en ver, ver schemert de vlakte, en de zee ; .... HENRI BOREL. 1) Casuarinen die op de bergen van Oost-Java in groote wouden voorkomen."

Type
schoolplaat
Onderdeel van
Oorlog, vrede en recht, Kolonialisme
Identificatie
220302
Trefwoorden
  • vulkanen,
  • schoolplaten
Materiaal
papier
Periode
  • omstreeks 1912
Locatie
Licentie
Erfgoedcollecties zijn meestal vanuit een Westers en koloniaal perspectief tot stand gekomen.