Schoolplaat 3. Bergweg naar het Diëng-plateau (Midden-Java)"
Jawa, omstreeks 1912
Een schoolplaat met een zwart-wit foto in een wit kader "3. Bergweg naar het Diëng-plateau (Midden-Java)". Linksonder: "Kleynenberg & Co., Haarlem". Zicht op een berggebied met slingerwegen en terrastuinen.<br>Bij de schoolplaten hebben een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd toelichtende teksten geschreven.<br>De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van J.F. Niermeyer: "Plaat 2 brengt ons van de benedenste plotseling naar de bovenste grens der bewoning op Java. Want dit bergdorp Semboengan, in het Diëng-gebergte op 2080 M. hoogte gelegen, is een der hoogst gelegen dorpen van het gansche eiland. Alleen onder de dorpen der Tenggereezen in Pasoeroean wordt een enkel nog iets hooger aangetroffen. In den Hindoe-tijd, die ongeveer met onze middeleeuwen samenvalt, bestegen de Javanen een aantal hunner vulkanen, om op of nabij den top tempels en bidplaatsen te bouwen. Op geen gebergte bereikten die grooter uitgestrektheid dan op den Diëng, waar, op een vlakken kraterbodem, een gansche tempelstad ontstond, waarvan thans nog eenige der kleine, maar zeer fraaie tempeltjes overeind staan. Maar met den Hindoe-godsdienst verdween het bergbezoek. Als plaats van bewoning zoekt de Javaan niet bij voorkeur zijn bergen uit en eerst als de bevolking zich in de vlakte te dicht opeenhoopt, drijft de nood hem weer omhoog. Pas in den aanvang der 19e eeuw zijn bewoners van Kedoe weer tegen den Diëng omhooggeklommen, vonden er nagenoeg het gansche terrein met dicht houtgewas bedekt, maar vingen de ontginning aan en bevonden bodem en klimaat zeer geschikt voor de teelt van tabak en van groenten. Zoo werden allengs een twintigtal dorpen in het gebergte aangelegd, alle op een hoogte van meer dan 1500 M., en waarvan Semboengan het hoogst gelegen is. De aanleg van terrassen heeft hier niet de bedoeling, als bij den sawahbouw, bevloeiing der velden mogelijk te maken, die in dit koel klimaat niet wordt toegepast, maar het afspoelen der bouwkruin door de regens te voorkomen. Overal vindt men in Indië dien terrasbouw tot hoog tegen de bergen; maar nergens staat de droge landbouw op zoo hoogen trap als deze moderne cultuur in het Diëng-gebergte. De tegal-velden worden binnen een tijdsverloop van twee jaren geregeld beplant met een vast opeenvolgende reeks van 1°. tabak, met tusschengeplante mais, 2°. Europeesche groenten, voornamelijk aardappelen, kool (dikwijls reusachtige), peulen, prei, en voor de Chineezen knoflook en onzen gewonen witten mosterd, die overal ter wereld groeit en waarvan de bladeren hier gegeten worden als andijvie, 3°. Djarak (ricinus), waarvan de olie vooral als lampolie wordt gebruikt 1) , of Kemlandingan goenoeng, de Albizzia Montana, een schermboom, tot dezelfde familie als de accacia's behoorend, die zeer snel opschiet, waarom een verwante soort als schaduwboom bij de koffiecultuur in gebruik is. Hier dient de aanplant om brandhout te verkrijgen; het roosten van de tabak heeft de streek geheel van hout beroofd. In het derde jaar liggen de velden braak en dan worden ze ook bevloeid en bemest. De mest is hier duur; paarden houdt men hier dan ook opzettelijk om den mest, en in een hoek van de woning wordt alle afval zorgvuldig bewaard. Tabak is het hoofdproduct en de groote bron van welvaart voor deze streken. Ze is geheel bestemd voor de inlandsche markt. Ze wordt in verschen toestand fijn gekorven, daarna geroost, en via Pehalongan naar Batavia vervoerd, om in de residentiën Bantam en Batavia te worden verkocht. De handel is voornamelijk in handen van Chineezen, evenals in het naburige Kedoe, dat ook een groote tabaksteelt voor de inlandsche markt bezit. De witte afdaken, die de plaat te zien geeft, dienen ter beveiliging van de jonge kweekplantjes der tabak tegen zon en regen. Het Diëng-gebergte bevat een aantal fraaie kratermeertjes, waarvan de op deze plaat afgebeelde Telaga (= vijver) Tjebong wel het liefelijkste is. Naar het zuiden en oosten (het dorp ligt ten Noordwesten van het meertje, dat aan zijn westelijken oever een landtong heeft) wordt het afgesloten door den sikkelvormigen kraterwal Serodjo. Geen landschap dat zooveel behoefte heeft aan zonneschijn als het tropische bergland en vooral bij morgen- en avondverlichting is het bijzonder mooi, met zijn zachte tinten. Bij betrokken lucht wordt het op deze hoogte spoedig guur; de vochtige koude doet onaangenaam aan en het land ziet er mistroostig uit, als de nevelflarden er overheen waaien. Waaien kan het flink hier op de bergen en in den drogen tijd is de uitstraling na zonsondergang zoo groot, dat er 's avonds gestookt wordt in den pasanggrahan op het Diëng-plateau. 2) 1) Naar bekend is, kan ze ook worden bereid tot medicijn, de wonderolie, in Indië altijd castorolie genoemd 2) Zie verder over den Diëng nog bij de beschrijving van plaat 7 blz 14-15.<br>De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van J.F. Niermeyer: "Ongemeen fraai is ook plaat 3, genomen op den bergweg die van Wonosobo den Diëng opwaarts voert, door het dal der Kali Serajoe. Er is wel geen enkel eiland in den grooten Archipel, waar de mensch het uiterlijk des lands zoo volkomen veranderd heeft als op Madoera. Men zegt daarvan gewoonlijk dat het een voortzetting der heuvelrijen van Oost-Java vormt en geologisch gesproken is dit in hoofdzaak juist. Het bestaat meerendeels, als die heuvels, uit onvruchtbare kalk- en mergelgronden, en heeft een te geringen regenval; wel is die 1½ tot 2 maal zoo groot als in Nederland, maar bij de aanzienlijke verdamping is dat voor een tropisch land te weinig. We zijn hier al in het westelijk begin van de eilandenreeks, in 't Zuidoosten van den Archipel gelegen, die invloed van het naburige Australië ondervindt. Maar op sommige dier eilanden, als Bali en Lambok, zijn hooge bergen, die de wolken tot condensatie dwingen en waarvan waterrijke beken afstroomen, die de lage landen kunnen bevloeien. Op Madoera is slechts bevloeiing mogelijk in enkele kleine kustvlakten; in het heuvelland, dat het grootste deel van het eiland beslaat, wordt zij niet toegepast, doordat de beken in diepe dalen stroomen. Hoogstens worden de planten er, als de tabak, stuk voor stuk begoten."
- schoolplaten,
- bergen
- omstreeks 1912





