Glaspositief Maleiers uit Midden-Sumatra
Sumatera
Zwart-wit diapositief van vier vrouwen in traditionele kleding voor een gebeeldhouwde houten ballustrade. Vier verschillende klederdrachten. De afbeelding op dit diapositief werd gemaakt voor de publicatie "Indië in Beeld" (1911) en een reeks schoolplaten over Java en Sumatra, uitgegeven in 1912. Beiden waren bedoeld om meer bekendheid te geven aan Nederlands-Indië, 'die mooie, rijke Koloniën, de grootste bron van Neerlands welvaart.' Bij de publicatie en de schoolplaten zijn toelichtende teksten geschreven door een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd. De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Prof. Dr. A.W. Nieuwenhuis: "Inleiding op platen 12 tot en met 20, en Plaat 12 Maleiers uit Midden-Sumatra. De inlandsche bevolking op de duizenden eilanden van onzen Oost-Indischen Archipel, die nu op 40.000.000 zielen geschat wordt, heeft zich daar in den loop van tientallen eeuwen onder zulke wisselende plaatselijke omstandigheden gevormd en is tevens, sedert het begin onzer jaartelling waarschijnlijk, zoo verschillend sterk onder den invloed van vreemde, vooral van Voor-Indische handelsvolken geweest, dat wij onder haar de meest uiteenloopende beschavingstoestanden aantreffen en, daaraan beantwoordende, de meest ongelijkmatige verdeeling over de eilanden. Naast de hoogontwikkelde samenleving in het dicht (± 230 per K. M.2 bevolkte Java vinden wij de oorspronkelijkste levensvoorwaarden onder de nog in het steentijdperk verkeerende Papoea's van Nieuw-Guinea met eene dichtheid van wellicht 1 per K. M.2 of de wat hooger staande Dajaks op Borneo en Toradja's op Celebes, die op 2-3 per K. M.2 geschat worden. Daartusschen treffen wij bij andere volken alle mogelijke overgangen in talrijkheid en beschaving aan. Men onderscheidt onder die inlandsche stammen twee hoofdgroepen: de Maleiers en de Papoea's benevens eene bevolking van Alfoeren, die door vermenging van die twee ontstonden. Naar hunne lichamelijke eigenschappen, hun taal, hun zeden en gewoonten behooren de Maleische volken van onzen Archipel tot de groote Maleisch-Polynesische Volkengroep, die zich van Achter-Indië uit, wellicht van noordelijk Voor-Indië uit, over de eilandenwereld tusschen Madagascar en het Paascheiland (ten westen van Zuid-Amerika) eenerzijds en van Japan tot den Maleischen Archipel anderzijds verbreid heeft. Een uitzondering hierop maakt het gebied der Papoea's met Nieuw-Guinea als midden. De Maleiers schijnen in ons eilandenrijk eene vroegere bevolking, met Ceylonsche Wedda's en Australiërs overeenkomende, te hebben aangetroffen, die in hen is opgegaan of nog slechts in sporen voorkomt (Toala's in Celebes, Koeboe's(?) op Soematra). Het begin der reusachtige volksverhuizing onder de Maleiers ligt voor ons in een geheel mythisch verleden; wij kunnen ons slechts op grond van geschiedkundige en taalkundige navorschingen van het laatste tijdperk dezer langzame volksbeweging een denkbeeld vormen, bijv. van de verhuizing der Maleiers van Soematra uit naar Madagascar in de 3e en 10e eeuw n. Chr., de verbreiding der Maleiers over Japan (7e eeuw v. Chr.) en ten slotte getuigen vele mythen en geschiedkundige verhalen van de wijze van verbreiding over de eilandengroepen der Stille Zuidzee. Ook in onzen Oost-Indischen Archipel moeten de Maleische stammen zich in den loop van een lange reeks van eeuwen van Achter-Indië uit gevestigd hebben. Naast de zoo verschillende invloeden van streek en klimaat hebben zij daar de sterke inmenging van vreemde volken ondervonden. Het waren vooral meer beschaafde handelsvolken als de Voor- en Achter-Indiërs, ook de Chineezen, die door den rijkdom aan specerijen als peper, notenmuskaat en foelie, kruidnagelen, voorts kamfer, sandelhout en edele metalen naar die gewesten gelokt werden. Met den eenen moesson aangekomen, waren die handelaren verplicht zich maandenlang op een handelsplaats te vestigen, om met den tegengestelden moesson terug te kunnen keeren; naast hunne handelsbelangen in het weinig beschaafde land vormde dit een goede aanleiding tot duurzame vestiging, het stichten van koloniën en het uitoefenen van een machtigen invloed. Nog heden heeft dit in afgelegen streken plaats en dat alles wordt door het huwelijk dier vreemden met vrouwen van het land nog in de hand gewerkt. Met de veranderde bloedsmenging verkregen de Maleische stammen van den Archipel eenen grooten vooruitgang in beschaving: hun patriarchale, onsamenhangende samenleving van talrijke, voortdurend twistende stammen werd in despotische rijken vervormd; den eeredienst en het kastenwezen, de woordenschat en het schrift van hun taal, en de meerdere kennis van landbouw en industrie namen zij van de zooveel hooger beschaafde vreemdelingen over. Zoo ontstond er een omwenteling in hun volksbestaan, die tot op den huidigen dag de vroeger aan Hindoerijken onderworpen landen een scherpe tegenstelling met de nog oorspronkelijke doet vormen. De sedert de dertiende eeuw, vooral van Voor-Indië uit, langzamerhand over de eilanden verbreide Islam heeft heel wat veranderingen veroorzaakt; bovendien zijn eenige nog oorspronkelijke volken daardoor meer beschaafd geworden; op de maatschappelijke organisatie en de middelen van bestaan heeft de meer dan duizendjarige Hindoeperiode (tot 1518 n. Chr.) echter het meest haar stempel gedrukt. Sedert vier eeuwen verkeeren de Europeanen in den Archipel; eerst als handelsvolken, later, vooral de Nederlanders, als heerschers. Reeds gedurende de drie eerste eeuwen is hun vervormende invloed op de inlandsche samenleving in sommige streken (Ambon en de overige Molukken, de groote steden van Java's noordkust) niet gering geweest; sedert den val der Oost-Indische Compagnie in 1800 is een werkelijk bestuur naar westersche beginselen meer en meer ingevoerd en, waar dit het sterkst plaats had, heeft dat in de voorwaarden van bestaan der Indische volken veel veranderd. Hoewel dit hier slechts zeer in het algemeen aangegeven kan worden, onderscheidt zich deze nieuwe toestand van dien in de vroegere, despotische rijken vooral door het volgende: 1° dat in plaats van aanhoudende inwendige beroeringen en oorlogen, die tot enorm menschen- en welstandverlies voerden, politieke rust heerscht; 2° dat de op knevelarij gelijkende brandschatting der lagere standen door de vorsten, den adel en hun beambten in hooge mate is gefnuikt geworden; 3° dat tegen de verwoestend optredende epidemieën als cholera, pokken enz. met westersch kunnen wordt gestreden; 4° dat tegen hongersnooden van hooger hand voorzorgen genomen en hulp geboden wordt; 5° dat door de Europeesche industrie eerste levensbehoeften als katoenen goederen, ruwe metalen enz. veel meer en goedkooper worden ingevoerd; 6° heeft in daarvoor gunstige streken het cultuurstelsel, hoewel betrekkelijk te weinig, toch voor eene inlandsche bevolking groote sommen onder haar gebracht; 7° heeft vooral sedert de laatste helft der vorige eeuw de particuliere landbouwindustrie, in 't bijzonder op Java, een groote bron van verdiensten doen vloeien, waarop nu een belangrijk gedeelte van Java's dichte bevolking voor haar bestaan geheel is aangewezen. Dit alles moge, strikt genomen, grootendeels een uitvloeisel van het eigenbelang der Europeanen en den Inlanders opgedrongen zijn, het is desniettemin voor dezen van groot gewicht. Op Java en Madoera, waarvan wij eenigszins betrouwbare cijfers bezitten en waar ons bestuur het meest heeft ingegrepen, is de uitwerking daarvan het best na te gaan. Daendels (1808-'11) en Raffles (1812-'16) raamden de bevolking dezer eilanden op 4 en 5 millioen, in 1900 telde zij er 28.746.638. Dit geeft een elders op aarde zonder immigratie ongeëvenaarde vermeerdering te zien, die ook wel op de onder de Javanen algemeene en zeer vroege huwelijken (meisjes 10-11 jaar, jongens 15-17 jaar) berust, maar toch overigens zeker een uitvloeisel van de bovengenoemde nieuwe toestanden is. In hoever het Christendom en de zending werken zullen wij bij de beschrijving van plaat 20 zien. Dat alles geeft ons eene verklaring voor de aanvankelijk overweldigende talrijkheid van de in uiterlijk en zeden en gewoonten verschillende stammen en volken in onzen Archipel. De groote Soendaeilanden als Soematra, Borneo en Celebes en ook vele kleinere eilanden bezitten eene heidensche, vroeg-Maleische bevolking in het binnenland en een later aangekomen, nu Mohammedaansch geworden Maleische kustbevolking; op de kleinere eilanden heeft meer een geheel in elkaar opgaan der oude en nieuwe bevolkingselementen plaats gehad, omdat de ruimte, om naast elkaar te leven, ontbrak. Evenals er zich tusschen de Maleiers en de Papoea's door onderlinge vermenging een menigte Alfoersche stammen gevormd hebben, zoo blijft ook de scheiding tusschen eene oorspronkelijke bevolking en de nieuwe aangekomenen niet scherp bestaan. Onderlinge huwelijken en de overgang tot den Islam, die een heiden tot Maleier maakt, zijn daarvan de oorzaken. Op Soematra leven in de berglanden van het noordelijk gedeelte de Bataks, Gajoe's en de Alasstammen als oudere, teruggedrongen bevolking naast de latere Maleiers aan de kusten, in het midden en het zuiden van dit eiland; maar bijv. in het zuiden, in de Lampongsche Districten, laat het Bataksche element onder de bevolking zich in taal, zeden en gewoonten nog sterk gelden. Het minst draagt de samenleving der Menangkabauers der Padangsche Bovenlanden (Pl. 12 en 23) daarvan de sporen en dezen worden dan ook veelal als een prototype der latere Maleische bevolking van den Oost-Indischen Archipel aangehaald. De eigenlijke kustbevolking heeft in den loop der tijden een groot aantal personen uit vreemde handelsvolken in zich opgenomen. De ligging van Soematra op den handelsweg tusschen Zuid- en Oost-Azië is daarvan zeker de oorzaak. In het bijzonder zijn het de Atjehsche kustlanden van Noord-Soematra, waar sedert vele eeuwen groote handelscentra gelegen waren, die ons een bijzonder sterk gemengde bevolking te zien geven. Deze kan als voorbeeld dienen. Naar Professor Dr. C. Snouck Hurgronje bevond, hebben Boegineezen, Javanen, Arabieren, Voor-Indiërs en Egyptenaren zich daar gevestigd en zijn zij zelf of hunne kinderen onder de Atjehers (Pl. 17) opgenomen; verder droegen ook Niassers en Bataks, soms ook negers en Chineezen als slaven en slavinnen tot de vorming dezer kustbevolking bij. Op Borneo is de oudere, Maleische bevolking, de Dajaks, (Pl. 14) naar de binnenlanden en het gebergte teruggedrongen; aan de kusten en langs de groote rivieren zijn daar nu de later geïmmigreerde Maleiers gevestigd. De in de nabijheid der laatsten wonende Dajakstammen zijn sterk met dezen gemengd; onder de meer binnenwaarts wonenden is dat veel minder het geval. De kust-Maleiers kunnen weinig op zuiverheid van hun ras bogen; nog het meest die op de westkust, maar ook hier hebben slavernij en zeerooverij verder de handel tot gevolg gehad, dat vele vreemde elementen, o.a. Boegineezen, onder haar werden opgenomen. Aan de zuidkust heeft het langdurig bestaan van het uit Java gestichte en gekoloniseerde rijk van Bandjarmasin aan de bevolking en hare beschaving een sterk Javaansche tint gegeven, wat zich bijv. in de taal en in de zeden en gewoonten uit. Aan de oostkust zijn het vooral de Boegineezen, die een belangrijk en welvarend deel der, bevolking aan de rivieren Pasir, Mahakam en Kajan uitmaken. Op Celebes vatten wij tegenwoordig de geheele bevolking als Toradja’s op, van welke zich evenwel de in het zuiden en op de kusten wonende Boegineezen en Makassaren, die door den invloed der Hindoes en de met de invoering van den Islam gepaard gaande vestiging van Maleiers van elders beschaafder werden, zeer onderscheiden; de Minahasers in het noorden zijn door immigratie uit de Philippijnen vermengd en nu door hun overgang tot het Christendom en onder de leiding van de zendelingen een beschaafd inlandsch volk geworden. Op Java beheerscht de tot het begin der 16e eeuw overheerschende Hindoeperiode de verhoudingen onder de deelen der bevolking. (Zie de beschrijving van platen 15 en 16). Bali en West-Lombok huisvesten een met de Javaansche innig verwante bevolking, die nu nog den Hindoegodsdienst belijdt. Verder oostelijk van Lombok en Celebes liggen de uit kleinere eilanden bestaande archipels, die de in hare onderdeelen uiterst verschillende Alfoersche bevolking tot woonplaats dienen. Hier kan men op de grootere eilanden naast de veelal heidensche, weinig beschaafde Alfoeren der binnenlanden eene wat meer ontwikkelde Mohammedaansche bevolking aan de kust onderscheiden. Het eiland Nieuw-Guinea, dat westelijk van den 141sten lengtegraad aan, Nederland toebehoort, is het vaderland van den Papoea. Het behoort wel tot de minst bekende gedeelten van ons Oost-Indisch gebied. Ten opzichte van zijne bevolking schijnt evenwel vast te staan, dat ook hier de kustbevolking met verschillende stammen uit den Archipel vermengd is geraakt; zelfs zouden alleen in Midden-Nieuw-Guinea de echte Papoea-talen nog onvermengd gesproken worden. Om naar het bovenstaande van de hoofdgroepen der Oost-Indische volken een denkbeeld te geven, zijn in de reeks platen een negental afbeeldingen van de eigenaardigste opgenomen. Plaat 12 Maleiers uit Midden-Sumatra. Op plaat 12 zijn het Menangkabauers, de bewoners van het bergland van Midden-Soematra en van den boven- en den middenloop der daar ontspringende rivieren. (Zie ook plaat 23, 76, 77 en 78). Men beschouwt ze als het minst vermengde volk onder de latere Maleiers. Het zijn niet groote (157 c.M. v. mannen), vrij gedrongen gebouwde en matig gespierde menschen met een bruine huid; zij bezitten zwart, sluik tot licht golvend haar en donker bruine oogen. Men treft onder hen evenals onder de andere Indische volken weinig mismaakte personen aan; wel een gevolg hiervan, dat de op hoogere breedte heerschende en het lichaam van zoovelen vervormende Engelsche ziekte hier niet voorkomt. De Menangkabau-Maleiers hebben eene betrekkelijk hooge beschaving bereikt; reeds in de 13e eeuw onzer jaartelling lieten hunne rijken in de Padangsche Bovenlanden zich als groote macht gelden. Hoewel later staatkundig achteruitgegaan, behooren zij nu nog tot de hoogst beschaafde Maleiers van Soematra; de Padangsche Bovenlanden, zoo groot als 2/3 van Nederland, het centrum van hun gebied, bezitten de in Indië, behalve op Java, niet dikwijls voorkomende bevolkingsdichtheid van 40 per K.M.². Behalve hunne zeden, hunnen landbouw en hunne industrie leggen ook de dikwijls rijk met smaakvol snijwerk versierde huizen, zooals op den achtergrond van plaat 12 en op plaat 23, en de zeer fraaie, bijna overdadig met goud- en zilverdraden doorweven zijden doeken daarvan welsprekend getuigenis af. Zoowel de bruid als de bruidegom zijn op deze plaat in die weefsels gekleed. (Over de maatschappij der Menangkabauers zie beschrijving van plaat 23.)".
- groepsportretten,
- diapositieven