Ga direct naar de content

Glaspositief Maleische woning Midden-Sumatra

Sumatera Barat

Zwart-wit diapostief van een in traditionele klederdracht gestoken familie voor hun in Minangkabouse stijl opgetrokken huis. De woning bestaat uit twee zadeldakdelen bekleed met palmvezels en heeft een houtsnede bewerkte (gebeeldhouwde) voorkant.<br>De afbeelding op dit diapositief werd gemaakt voor de publicatie "Indië in Beeld" (1911) en een reeks schoolplaten over Java en Sumatra, uitgegeven in 1912. Beiden waren bedoeld om meer bekendheid te geven aan Nederlands-Indië, 'die mooie, rijke Koloniën, de grootste bron van Neerlands welvaart.' Bij de publicatie en de schoolplaten zijn toelichtende teksten geschreven door een aantal hoogleraren en deskundigen uit die tijd.<br>De toelichtende tekst bij deze afbeelding is van Prof. Dr. A.W. Nieuwenhuis: "Plaat 23 verplaatst ons in het frissche bergklimaat van den Barisan in Midden-Soematra onder een der meest belangwekkende Maleische volken. Hier hebben zich de Menangkabauers tot eene welvarende en beschaafde samenleving weten te verheffen, waarvan de hier afgebeelde familiewoning met hare talrijke inzaten eene kenschetsende uiting vormt. Van zulk een karakteristiek bouwwerk, dat door fraaiheid van gedaante en versiering en door degelijkheid van samenstelling uitmunt, is in onze Oost moeilijk eene wedergade te vinden. Reeds in de 12e en 13e eeuw n. Chr. waren de Menangkabauers door hunne machtige staten bekend en, zijn zij ook op politiek gebied sedert zeer achteruitgegaan, nog altijd weten zij met de instellingen hunner maatschappij krachtig weerstand te bieden aan de invloeden van buiten, die elders reeds zoovele inlandsche samenlevingen geheel vervormd hebben. Het is vooral de Mohammedaansche godsdienst en zijne instellingen, die ook de Menangkabauers tot op zekere hoogte belijden, waarop hier gedoeld wordt. Ook om een beter begrip der Menangkabausche samenleving en van de familiewoning, die daarvan een uitvloeisel is, te krijgen, is het hier wellicht de plaats, om iets te vertellen van de zeer bijzondere grondslagen, waarop zij berusten. Deze ontmoet men zoo dikwijls, zij het ook gewijzigd, onder de andere stammen van den Archipel, dat zij van algemeen belang geacht moeten worden. De toestanden onder de Indische volken vertegenwoordigen een vroeger stadium van maatschappelijke ontwikkeling dat in veel opzichten aan het Europa der Middeleeuwen herinnert. De meesten van hen leven nog niet als wij in tallooze, door bezittingen en rechtsverhoudingen van elkaar vrijwel onafhankelijke gezinnen van man, vrouw en kinderen maar in groepen van zulke gezinnen, als bloedverwant familien, door onverdeeld familiebezit, door gemeenschappelijke aansprakelijkheid voor de daden harer leden en gelijk belangen tegenover de omgeving als de maatschappelijke eenheden gekenschetst. Zulke families, uit gezinnen bestaande, die dezelfde voorouders bezitten of meenen te bezitten, vindt men vooral onder de oudere, Maleische volken als Bataks, Dajaks en Toradja's, ook onder de Alfoeren zijn zij nog in wezen. De stammen van dezen bestaan uit groepen van zulke families. Het zijn deze stammen, die geheel op zichzelf in eene of enkele nederzettingen bij elkaar wonen, dikwijls zelfs in eene reusachtige stamwoning, die wel 200-250 M. lang kan zijn. (Zie boven pag. 22 en plaat en 63 en 79). Ieder gezin bezit daarin een meer of minder afgescheiden eigen vertrek; daarnaast bestaat eene grootere ruimte voor gemeenschappelijk verkeer. Nog tegenwoordig berusten vele toestanden in de landbouwende Indische samenleving, met betrekking tot het grondbezit vooral, op deze stamindeeling (zie Landbouw). Het gebied van een stam is in de Buitenbezittingen veelal tot het „distrikt" in onze bestuursorganisatie geworden. Voor ons Europeanen, die in zulk een geheel anderen gedachtengang zijn opgegroeid, is het nu hoogst merkwaardig, dat de Inlanders familie- en bloedverwantschap uit van de onze geheel verschillende gezichtspunten beschouwen. Bij ons zijn de nabestaanden van vader en moeder den kinderen in den bloede even na; bij huwelijken tusschen bloedverwanten bijv. worden zij als even na verwant aangezien. De Inlanders rekenen echter de bloedverwantschap in een familie naar twee grondbeginselen, naar de afstamming uitsluitend in de mannelijke lijn of naar die uitsluitend in de vrouwelijke lijn. Wij spreken op dien grond van patriarchale en matriarchale familiën. Eerst later ontwikkelen zich daaruit onze opvattingen, die in Indië ook voorkomen. In het eerste geval behooren tot de patriarchale familie de stamvader met al zijne mannelijke kinderen, mannelijke kindskinderen enz. met hunne aangehuwde, vrouwen benevens de ongehuwde vrouwen. Tot de matriarchale familie telt men de stammoeder met hare broeders en zusters met al hare afstammelingen, dus zonder de aangehuwde mannen. Die allen mogen als bloedverwanten nimmer met elkaar huwen. In beide familien staat de oudste, daarvoor geschilkte man aan het hoofd, om haar naar buiten te vertegenwoordigen, de familiegoederen te beheeren, haar belangen te behartigen, alles in samenwerking met de andere familieleden. De verdere uit deze familiegemeenschappen voortvloeiende rechtsinstellingen komen neer op het streven, de familie als geheel en in 't bijzonder ook hare bezittingen en rechten tegenover de andere families bijeen te houden. Zelfs bij huwelijken harer leden worden rechtens tusschen de twee betrokken families geen banden gesloten. De twee uit deze verhoudingen voortvloeiende huwelijksvormen, het patriarchale en het matriarchale huwelijk, zijn even verschillend als voor ons belangwekkend. Bij het patriarchale of vaderrechterlijk huwelijk koopt eene familie voor een harer mannelijke leden met een aan de andere familie te betalen bruidschat eene vrouw. Deze gaat in de familie van haren man als bezitting over en verbreekt daarbij de banden met haar familie, kan bijv. niet van haar ouders en toch ook in haar nieuwe familie niet erven. Na den dood van haar man blijft die vrouw in zijn familie en wordt eventueel door een zijner broeders gehuwd of door dezen aan een anderen man tegen een aan hem uit te betalen bruidschat uitgehuwelijkt. Echtscheiding is niet mogelijk en hare kinderen behooren tot de familie van den man. Omdat de dochters in zulk eene familie bestemd zijn tegen een bruidschat de familie te verlaten, deelen zij niet of veel minder dan de zoons in het familiebezit; die moeten haar evenwel onderhouden. Bij het matriarchale of moederrechterlijke huwelijk wordt de vrouw niet voor een bruidschat gekocht, de man geeft en ontvangt slechts kleine geschenken; de vrouw blijft in haar familie en bij deze wonen. Hij blijft met zijne bezittingen ook verder deel uitmaken van zijn eigen familie. Wonen doet hij ook slechts bij tusschenpoozen bij zijn echtgenoote en werkt voor haar en hunne kinderen; de kinderen worden geacht te behooren tot de familie van de vrouw, die dan ook vooral voor hen zorgt. De kinderen erven wel van de moeder, niet van den vader, die meestal wel gerechtigd is zelf verworven goederen aan zijne kinderen te schenken, eventueel met ruggespraak met het hoofd zijner familie. Echtscheiding is hier gemakkelijk en komt veel voor. Gelijk ook in onze maatschappij bij huwelijken en afspraken tusschen bevriende personen en familien niet alles volgens de letter van de wet geregeld wordt, komt dat ook onder de Indische volken ten opzichte van hun adat veel voor. Het bovenstaande is trouwens slechts een schematische beschrijving van de velerlei op deze stelsels gegronde instellingen bij de onderscheiden volken in den Archipel. Naar vaderrechterlijke beginselen zijn de Bataks, Niassers, Lampongers en de Alfoeren van Boeroe georganiseerd; ook de Mohammedaansche godsdienst huldigt dit stelsel. Moederrechterlijk is de samenleving der Menangkabauers. Talrijker zijn de stammen, die in een tijdperk van overgang tusschen die twee stelsels verkeeren. In den loop der tijden blijven zulke, scherp omschreven instellingen, die eigenlijk aan sterke afzondering eener samenleving gebonden zijn, veelal niet onveranderd bestaan. Wel het meest door aanraking met vreemden gaat zulk een samenleving andere gewoonten overnemen. In den Oost-Indischen Archipel gaan de matriarchale in de patriarchale instellingen over. Een voorbeeld daarvan zijn de huwelijksgewoonten onder de Atjehers, die trouwens ook het innige stam- en familieverband niet meer kennen. Onder hen wordt het huwelijk naar patriarchale beginselen gesloten en behooren de kinderen tot de familie van den vader. Toch blijft de vrouw bij hare ouders inwonen en ontvangt slechts bij tusschenpoozen bezoeken van haar man en zorgt voor haar kinderen en hunne opvoeding. Een ander voorbeeld is het huwelijk onder de Makassan en Boegineezen, dat ook patriarchaal is. Bij hen komt evenwel echtscheiding veel voor; daarbij worden de kinderen onder vader en moeder verdeeld, waarbij echter de vrouw bevoordeeld wordt, daar haar de oneven, den man de even kinderen toegewezen worden. Ook een jong, kleinste kind kan de vrouw tegen wat schadeloosstelling verkrijgen. Naar dezen zelfden regel erven de kinderen ook of van hun vader, of van hun moeder. Het zou verkeerd zijn te denken, dat de stelling der inlandsche vrouw geheel door den huwelijksvorm geregeld wordt. Bij de patriarchale Bataks bijv. is die der met bruidschat gekochte vrouw inderdaad weinig benijdenswaard, vooral na den dood van haar man; maar ook onder hen is het vooral de persoonlijkheid, die de ware verhouding onderling bepaalt. Menige flinke vrouw regeert daar hare omgeving evenals ook onder de matriarchale Menangkabauers een man met karakter en talent in de familie zijner vrouw en op de opvoeding zijner kinderen veel invloed zal verkrijgen. Wanneer bij toenemende ontwikkeling eener samenleving, door toenadering en vermenging der stammen bijv., de leden der familie door hunne belangen tot vestiging elders gedwongen worden, kan op den duur het familieverband en het onverdeelde familiebezit niet in stand gehouden worden en gaan deze in het gezinswezen over. Dit gaat dan al spoedig gepaard met den overgang tot den cognatischen, parentalen of ouderrechtelijken vorm van huwelijk, die ook wij Nederlanders kennen. Onder de Maleische, Dajaksche en andere stammen van den Archipel is deze verandering reeds geheel of gedeeltelijk ingetreden; in het bijzonder daar ook, waar de Hindoeinvloed en de despotische rijken de oorspronkelijke inlandsche samenleving sterk veranderd hebben. Om tot onze plaat met de Menangkabausche familiewoning terug te keeren, daaruit spreekt duidelijk de macht en de welvaart van zulk eene talrijke familie. In tegenstelling met het bamboe en palmbladhuis op Java, hier een hechte huizinge, beneden het dak geheel uit hout vrij hoog boven den grond opgetrokken, rijk versierd met druk, maar smaakvol uitgevoerd en gekleurd snijwerk, dat de geheele buitenoppervlakte bedekt. Het uiterst sierlijke trappenhuis geeft daarbij een welsprekende getuigenis van het hoogontwikkeld kunstgevoel van dit volk. Het dak van idjoek, arenvezels, is aan den onderbouw geevenredigd in vorm en uitvoering. Het uitloopen van de nok in opgaande punten is voor de gebouwen in de Padangsche Bovenlanden kenschetsend. Trouwt er een dochter des huizes en zijn de beschikbare ruimten ingenomen, dan wordt er onder verlenging van het dak een nieuw stuk met een oploopende punt bijgebouwd. Eerst als het huis te lang zou worden, plaatst men er op hetzelfde erf een tweede woning naast. De personen op den voorgrond kunnen voor ons goed als vertegenwoordigers uit deze familie dienen. De oude man, als hadji, oud-bedevaartganger naar Mekka, gekleed, heeft het waardig uiterlijk van een familiehoofd; de twee vrouwen, ieder met twee harer kinderen, zijn wel zusters, of zusters kinderen, wier mannen elders wonen. De man in het midden kan echter ook wel de echtgenoot van de rechtsche zijn. De nieuwsgierige vrouwen aan de glaslooze vensters wijzen genoeg op de talrijke inzaten van zulk eene familie woning. De dagelijksche kleeding der menschen is eene goede aanvulling voor den galatooi, waarin de Menangkabauers op plaat 12 voorkomen. De meer voor feesten bestemde hoofdtooisels der kleine meisjes links herinneren aan de danskronen der Lampongsche meisjes op plaat 18."

Type
glaspositief
Onderdeel van
Oorlog, vrede en recht, Kolonialisme
Identificatie
D000974
Trefwoorden
  • woningen,
  • groepsportretten,
  • diapositieven
Materiaal
glas
Licentie
Erfgoedcollecties zijn meestal vanuit een Westers en koloniaal perspectief tot stand gekomen.